Hulp OESO-landen zal fors tekortschieten

PARIJS, 30 JUNI. De hulp van de rijke aan de arme landen zal de komende jaren waarschijnlijk onvoldoende zijn om te beantwoorden aan de toenemende vraag.

Deze waarwaarschuwing heeft voorzitter Alexander Love van het Development Assistence Committee (DAC) gisteren geuit bij de presentatie van de voorlopige cijfers over 1991. Tot de DAC behoren 20 van de 24 industrielanden die lid zijn van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

Love onderstreepte dat de komende jaren steeds meer landen een beroep zullen doen op buitenlandse hulp. Hij noemde de arme voormalige Sovjet-republieken, landen in Indo-China en Afghanistan.

De officiële hulp (schenkingen of zachte leningen) van de DAC-leden nam vorig jaar toe met 5,6 procent tot 58,2 miljard dollar. De reële stijging bedroeg 2,1 procent. De hulp van de Arabische landen liep door de financiële inspanningen na de Golfoorlog scherp terug van 6,33 miljard dollar in 1990 tot 2,67 miljard dollar in 1991.

Japan was de grootste hulpverschaffer met 10,95 miljard dollar. De VerenigdeStaten volgden met 9,60 miljard dollar. Als de kwijtschelding van een lening voor militaire aankopen ter waarde van 1,85 miljard dollar wordt meegerekend, komt de VS op de eerste plaats. Maar volgens de meeste DAC-landen valt dit niet onder de definitie van hulp.

Het aandeel van de officiële hulp in het bruto nationaal produkt (bnp) bleef vorig jaar 0,34 procent. De Verenigde Naties hanteren 0,7 procent als norm voor ontwikkelingshulp. Slechts vijf DAC-landen kwamen boven dit streefpercentage uit: Noorwegen (1,14 procent), Denemarken (0,96 procent), Zweden (0,92 procent), Nederland (0,88 procent) en Finland (0,76 procent).

De ontwikkelingshulp van Nederland nam, gecorrigeerd voor prijsverschillen en koersveranderingen, af met 1,4 procent. Hierdoor zakte het aandeel in het bnp van 0,92 naar 0,88 procent.