Geweld in Algerije

HET IS NOG niet honderd procent zeker dat moslim-fundamentalisten de moordenaars zijn van het Algerijnse staatshoofd, Mohamed Boudiaf, als voorlopig dieptepunt van een voortdurende reeks moordaanslagen op verdedigers van het gezag.

Maar de gedachte ligt voor de hand en in Algerije houdt men het hart vast voor de hopeloze spiraal van geweld die het gevolg kan zijn: nòg harder overheidsoptreden tegen (vermeende) islamitische extremisten en een dienovereenkomstig terroristisch antwoord.

De Algerijnse leiders die in januari een verkiezingszege van het fundamentalistische en anti-democratische Front van Islamitische Redding (FIS) verhinderden, hadden grootscheepse plannen. De volledig vastgelopen economie zou worden gesaneerd, de reusachtige werkloosheid aangepakt, de woningnood opgelost, de systematische corruptie uitgeroeid. Maar er is vijf maanden later nog nauwelijks een aanzet te signaleren tot verwezenlijking van deze voornemens; wel zijn de prijzen van eerste levensbehoeften gestegen als gevolg van afschaffing van de staatssubsidies. De zwijgende meerderheid, de voorzichtige waarnemers waartoe Boudiaf zich placht te wenden - waarvan een deel FIS heeft gestemd uit protest tegen het FLN-regime - is zeker nader tot het bewind gekomen. De echte fundamentalisten, de jonge werklozen en de onderlaag in het algemeen, zijn hoogstens geradicaliseerd door de verder gaande onderdrukking van hun partij en henzelf.

DE ANDERE Arabische landen kijken intussen bezorgd toe: zij hebben alle hun eigen fundamentalistisch probleem, en sinds de bijna-overwinning van het FIS heeft Algerije een duidelijke voorbeeldwerking. Ook in Egypte bij voorbeeld groeit het fundamentalistische geweld, zoals onlangs tot uiting kwam in de schokkende moord op de liberale schrijver Farag Fouda, en de autoriteiten zullen nu met zorg terugdenken aan de fundamentalistische moord op president Sadat.

Vrijlating van een anti-democratisch fundamentalisme vormt geen oplossing voor de regio; dat kan leiden tot uitwassen waarvan Iran aardige voorbeelden heeft gegeven. Maar onderdrukking zonder meer is dat ook niet, hoe gewelddadig de extremisten ook mogen zijn en hoe rechtschapen hun slachtoffer ook is (Boudiaf, Fouda). De Algerijnse leiders, en in feite ook hun collega's in de regio, hebben er de afgelopen maanden geen blijk van gegeven te beseffen dat zij alleen door een krachtige aanpak van de inderdaad gigantische problemen van hun land het vertrouwen van de bevolking kunnen terugwinnen. Zolang zij dat niet doen, ziet het er somber uit in het gebied.