Fonds-voorzitter Greetje van den Bergh bij afscheid; "Letterenfonds raakt door EG-regeling in problemen'

De literair vertaalster Greetje van den Bergh neemt vandaag afscheid als voorzitter van het Fonds voor de Letteren. Zes jaar lang heeft zij zich ingezet voor een rechtvaardige verdeling van werkbeurzen over tweehonderd Nederlandse schrijvers en honderd vertalers.

AMSTERDAM, 30 JUNI. Het Fonds voor de Letteren staat voor een moeilijke periode en kan zich de komende jaren geen voorzitterswisseling permitteren, vindt Greetje van den Bergh (45). Dat is een van de redenen waarom ze vandaag, na zes jaar in het bestuur te hebben gezeten, het voorzitterschap van het Fonds neerlegt. Omdat de Europese regelgeving het verbiedt om onderscheid te maken naar nationaliteit, is vorige maand besloten om ook werkbeurzen te gaan toekennen aan Vlaamse auteurs. De gevolgen hiervan zijn niet te overzien.

Van den Berg heeft de indruk dat het Ministerie van WVC de ernst van de problemen in hoge mate onderschat. Nederland staat nu voor de keuze: willen we snel meewerken aan een internationale regeling of gaan we ruziend ten onder. “WVC gaat er van uit dat het beleid met een paar kleine herschikkingen gered kan worden. Maar dat is een vergissing. Men realiseert zich in Rijswijk niet dat er daarvoor al te veel in handen is van de Europese Commissie.”

“Meer dan 150 Vlaamse schrijvers kunnen nu een subsidieverzoek indienen. Als wij hen met de zelfde normen behandelen als de Nederlanders, kost ons dat meer dan een miljoen. Dat betekent dat wij niet meer kunnen voldoen aan de opdracht die de Minister ons gegeven heeft. Het enige wat ons dan rest is de betalingen aan de Vlamingen opschorten, met het risico dat Nederland wordt veroordeeld wegens overtreding van de Europese wetgeving.” Het Fonds heeft de minister vorige week voorgesteld de Tilburgse literatuursocioloog Hugo Verdaasdonk tot nieuwe voorzitter te benoemen.

Toch moet Greetje van den Bergh vergeleken met veel andere bestuurders in de kunstensector een tevreden mens zijn. Terwijl anderen hun subsidies de laatste jaren dramatisch zagen slinken, heeft de scheidende voorzitter van het Fonds voor de Letteren haar budget in een paar jaar tijd zien verdubbelen. Van 3,8 miljoen in 1989 ging het naar 6,3 miljoen nu en voor 1996 zit er nog een uitbreiding naar 8,5 miljoen in de pen.

Van den Bergh wijst er op dat de gunstige financiele situatie niet alleen het werk is van haar en haar medebestuurders.

Zeker zo belangrijk is het verdwijnen van het gesubsidieerde leenrecht geweest. Geld dat tot voor kort werd betaald aan auteurs en vertalers wier boeken werden uitgeleend, wordt nu verdeeld via het Fonds. Een tweede factor is geweest dat de afdelig Letteren van WVC een paar jaar geleden naar de directie Media, Letteren en Bibliotheken is overgeheveld. Letteren valt nu financieel niet langer binnen het kunstbeleid. Literatuur kon daardoor bij de recente herverdelingen worden ontzien.

Greetje van den Bergh was twee jaar geleden de eerste vertaler die voorzitter werd van het Fonds voor de Letteren. Het Fonds is in 1965 opgericht als een uitvloeisel van de eerste schrijversacties. Doel was de Nederlandse letteren te bevorderen door middel van werkbeurzen, opdrachten en additionele honoraria.

Ze trad aan op een belangrijk moment. Het Fonds stond voor de taak een beleidsplan te maken. Niet alleen moest daarin worden aangegeven waar men voor stond. Ook moest er een antwoord komen op enkele principiele vragen. Moest er een vaste groep professionele schrijvers komen? Hoe groot moest deze groep zijn? En hoeveel doorstroming was noodzakelijk?

Het Fonds koos voor continuteit. De debutantenbeurzen verdwenen, maar jonge auteurs die zich hadden bewezen konden verzekerd zijn van een beperkte beurs gedurende drie jaar. Daarnaast zou er een groep moeten zijn die zich langere tijd achtereen aan het schrijven zou kunnen wijden. Voor het eerst stelde het Fonds vast dat het niet de bedoeling was om steeds weer iets nieuws te subsidieren, met weglating van het oudere. Van den Bergh: “We vonden dat we ons moesten bekommeren over de vraag waar schrijvers vandaan komen en waar ze blijven. Voor we tot subsidiering overgingen wilden we weten hoe iemand begonnen was. Was er eenmaal tot steun besloten, dan moest de hoogte van het bedrag dat hij kreeg niet meer te veel fluctueren.”

Dat de nieuwe koers succesvol is geweest blijkt volgens Van den Bergh uit de samenstelling van de groep gesubsidieerden. Deze is vrij stabiel. Er zijn geen schrijvers die plotseling aan de kant zijn geschoven. “Wanneer iemand uit de groep verdwijnt, is dat meestal doordat hij overlijdt, doordat hij ophoudt met schrijven of doordat zijn inkomen verbeterd is.”

Een probleem dat blijft bestaan is de selectie. Bekend is de kritiek dat de meeste bestuurders en commissieleden zelf tot de gesubsidieerden behoren. Moeten schrijvers over elkaar oordelen? En als ze dat doen, mogen ze dan voordeel hebben van de regeling waaraan ze meewerken? Zo blijft het vreemd dat er sinds jaar en dag Raster-auteurs in het bestuur zitten terwijl veel Raster-auteurs ook subsidie krijgen. Behoren tot werkelijk tot de beste schrijvers van Nederland, zoals hun plaats in het subsidiestelsel suggereert?

Van den Bergh wijst elke suggestie van oneerlijkheid van de hand. In het Fonds-bestuur zijn altijd verschillende stromingen vertegenwoordigd. Naast Raster-auteurs als Lidy van Marissing en H.C. ten Berge zitten verschillende anders gerichte schrijvers in het bestuur. Hun meningen leveren volgens Van de Bergh gezamenlijk "een beslissing die de objectiviteit het meest benadert'.

Van den Bergh zou het ook jammer vinden als Raster-auteurs zoals Vogelaar, Ten Berge en Van Marissing niet meer gesubsidieerd zouden worden. “Voor schrijvers die veel gelezen worden, zoals Mulisch, 't Hart of Bernlef, hoeven we ons als Fonds niet druk te maken. Wij zijn er juist om te behouden wat waardevol is en bedreigd wordt. De opzet van het Fonds is niet om alleen de topkwaliteit te steunen. We zijn er voor de volle breedte van de literatuur. Als wij destijds gestopt waren met het subsidieren van Jacq. Firmin Vogelaar, zouden er nu geen boeken als Terugschrijven of De Dood als meisje van acht zijn.”

Van den Bergh wijst erop dat de literatuur een beleidssector is waar het marktmechanisme toch altijd al een rol speelt. “Voor wij tot subsidiering overgaan is er eerst een uitgever geweest die vertrouwen in een schrijver heeft gehad. Wij subsidieren alleen schrijvers die al hebben gepubliceerd. We zijn er ook niet om manuscripten te publiceren die in de la komen te liggen.” Ze wijst erop dat subsidies de laatste jaren vrijwel altijd tot boekuitgaven hebben geleid. “Mislukkingen zijn natuurlijk nooit uit te sluiten, het gaat om creatieve processen, maar als er iets mis gaat, is het nooit over een lange periode en nooit met erg veel geld.”

Om inteelt tegen te gaan heeft minister d'Ancona wel eens geopperd om ook genteresseerde leken in Fondsbesturen op te nemen. Greetje van den Bergh betwijfelt of dat een verbetering is. “Mensen uit het veld zien beter het belang van wat ze doen. Ze hebben ook een groter besef van effectiviteit. Bij leken verzandt er altijd veel in de bureaucratie. Alleen deskundige bestuurders zijn in staat een krachtig tegenwicht te bieden tegen de ambtelijke molens.”