EZ wil af van vergunningen; Vestiging van bedrijf wordt gemakkelijker

DEN HAAG, 30 JUNI. Minister dr. J.E. Andriessen (economische zaken) stuurt aan op een verregaande liberalisering van het vestigingsbeleid in het midden- en kleinbedrijf.

In tachtig van de 107 branches in deze sector wil hij ondernemers niet langer verplichten een vestigingsvergunning aan te vragen voordat ze een bedrijf kunnen starten.

De minister beoogt hiermee de economische dynamiek in het midden- en kleinbedrijf te vergroten.

De centrale werkgeversorganisaties zijn aan het begin van de middag op het ministerie over de plannen ingelicht. Zij wilden nog geen reactie geven. De plannen liggen uiterst gevoelig bij de branche-organisaties, die bij de centrale werkgeversverenigingen zijn aangesloten.

Op dit moment moet vrijwel iedere ondernemer een vestigingsvergunning aanvragen voordat hij een bedrijf kan starten. Dat gaat veelal gepaard met de verplichting een opleiding bij een branche-organisatie te volgen. Op die wijze, zo luidt al langer de kritiek van bijvoorbeeld consumentenorganisaties, worden startende ondernemers gefrustreerd en kunnen markten te gemakkelijk worden afgeschermd.

Andriessen heeft vorig jaar met de centrale werkgeversorganisaties een globale afspraak gemaakt om het vestigingsbeleid te liberaliseren. Daarop voerden zijn ambtenaren overleg met de 107 branche-organisaties. De meeste gaven toen te kennen het huidige regime te willen handhaven. Andriessen kiest nu niettemin voor de confrontatie met de organisaties. Ze krijgen tot oktober de tijd te reageren op zijn voorstel. Begin volgend jaar wil hij zijn voornemens omzetten in beleid.

In zijn plan werkt de minister met drie niveaus voor vestigingseisen. Op het laagste niveau - waaronder genoemde tachtig branches vallen - is geen vergunning meer vereist. Het gaat om “branches waarbij de gemiddelde bedrijfsuitoefening eenvoudig is”. Daaronder vallen volgens de minister onder meer aannemers in de grond-, water- en wegenbouw, bloemenhandelaren, bemiddelaars in onroerend goed, cafetariahouders, schoenmakers, optometristen (oogmeting) en reisbureaus.

Bij de andere twee niveaus - waaronder de overige 27 branches vallen - gaat het om branches waarin de bedrijfsuitoefening “gemiddeld complex” dan wel “meer complex” is. Daarvoor blijven vestigingseisen gelden. Het gaat onder meer over centrale verwarmingsinstallateurs, loodgieters, caféhouders, poeliers en slijters.