De speurtocht naar de blauwe paprika's

De Nederlandse agrarische industrie voegt te weinig waarde aan haar export toe, vindt staatssecretaris Van Rooy. Niettemin werken boer en tuinder al jaren aan hoogwaardiger produkten. Hun omzet in het buitenland blijft stijgen.

Op de wereldranglijst van exporteurs van agrarische produkten vecht Nederland permanent met Frankrijk om de tweede plaats achter koploper Verenigde Staten. Ook als Nederland genoegen moet nemen met een derde plaats, heeft het nog heel wat om zich over op de borst te slaan: het is de grootste exporteur ter wereld van uiteenlopende zaken als pootaardappelen, champignons en varkensvlees. Voor blijvende groei en behoud van het aandeel op de exportmarkt is echter wel voortdurende vernieuwing van produkten nodig.

Vorig jaar exporteerde de agrarische en voedingsmiddelensector voor 61,5 miljard gulden, een kwart van de totale Nederlandse uitvoer. Zonder de agrarische export zou Nederland een negatieve handelsbalans hebben. Het totale handelsoverschot bedroeg in 1991 14,2 miljard, dat van de agrarische sector was 26,6 miljard gulden.

Staatssecretaris Van Rooy van buitenlandse handel bepleitte onlangs een verschuiving naar agrarische produkten met meer toegevoegde waarde. Haar advies is gemakkelijker uitgebracht dan uitgevoerd. Tuinders, akkerbouwers en veetelers zijn al jaren in de weer met de vraag hoe ze exclusiever of verder verwerkte produkten kunnen verkopen die meer opbrengen dan bulkexport. Ze telen nieuwe kleuren paprika's, ze spelen in op groeiend milieubewustzijn bij consumenten, ze bedenken aantrekkelijker verpakkingen, ze zoeken toegang tot markten met hogere prijzen. Het succes van al die inspanningen is wisselend. Maar ze dragen er wel belangrijk toe bij dat de exportcijfers jaarlijks stijgen.

Nederlandse producenten van varkensvlees bijvoorbeeld zien in dat ze op den duur meer winst kunnen maken met varkensvlees dat klaar is voor de supermarkt, met vleeswaren en met produkten die dank zij een beroemde soortnaam - Gelderse rookworst - een hoge marktwaarde hebben dan met de halve karkassen die nu nog dikwijls worden geëxporteerd. Denemarken, een belangrijke concurrent op de internationale markt, voert al jaren geen enkel karkas meer uit, maar uitsluitend varkensvlees dat verder verwerkt is.

Waarde toevoegen aan varkensvlees betekent meer dan de kansen op exportgroei verbeteren. Velen in de Nederlandse varkenssector gaan ervan uit dat inkrimping van de varkenshouderij onder druk van de milieuproblemen onvermijdelijk zal zijn. Geëxporteerd varkensvlees dat meer opbrengt kan de financiële gevolgen van zo'n inkrimping opvangen.

Jaarlijks worden in Nederland 24 miljoen varkens gefokt. Daarvan worden er 20 miljoen binnenslands geslacht, waarvan ruim zeventig procent is bestemd voor export. Die uitvoer bestond vijf jaar geleden nog voor vijftig procent uit halve karkassen. Het aandeel daarvan is inmiddels afgenomen, maar veelal betekent dat niet meer dan dat de karkassen in stukken zijn gesneden. Slechts een derde van de varkens wordt geheel in Nederland verwerkt en gaat als uitgebeend vlees, vleeswaren, conserven of bacon de grens over. Dit aandeel opvoeren is moeilijk. De vereiste investeringen voor verwerking zijn niet op te brengen zolang overcapaciteit de Europese slachterijen in de rode cijfers houdt.

Ir. B.J. Odink, secretaris van het produktschap voor vee en vlees, wijst erop dat Denemarken in het verleden meer geld heeft kunnen investeren in slachterijen en vleesfabrieken omdat het Deense varkensvlees meer opbrengt dan het Nederlandse. Denemarken is een belangrijk exporteur van varkensvlees naar Japan - dit jaar hoopt het 175.000 ton te verkopen - waar een varken twee keer zoveel kost als in Europa.

Nederlandse varkensexporteurs hopen binnenkort eveneens toegang te krijgen tot de groeiende Japanse markt. Tot voor kort mocht er geen Nederlands varkensvlees naar Japan omdat hier, anders dan in Denemarken, runderen werden ingeënt tegen mond- en klauwzeer. Wat die runderen met varkens te maken hadden, is Odink nooit duidelijk geworden. Nederland heeft nu deze inenting afgeschaft.

Pag.14: Concurrentie in tuinbouw krijgt dramatisch gevolg

Volgens Odink wordt ook getracht varkensvlees - waarvan vorig jaar voor 4,5 miljard gulden werd geëxporteerd - een hogere waarde te geven door in te spelen op verlangens van de Europese consumenten. Zo is er vlees van het scharrelvarken en komt er binnenkort "integrale keten beheersing-vlees'. Van dit IKB-vlees is bekend waar het vandaan komt en dat bij de produktie slechts beperkt gebruik is gemaakt van diergeneesmiddelen. Ook worden garanties gegeven voor de kwaliteiten van gebruikt varkensvoer en dierenartsen. Een nog niet opgelost probleem is overigens hoe IKB-vlees kan worden aangeprezen zonder dat consumenten de indruk krijgen dat ander varkensvlees ongezond is.

Bij de tuinbouw - goed voor een uitvoer vorig jaar ter waarde van 16,5 miljard gulden - wordt ook naarstig gezocht hoe aan de produkten waarde kan worden toegevoegd. Dat gebeurt bij voorbeeld door tuinbouwprodukten bij de teler te verpakken. Het nieuwste dat op dit gebied wordt overwogen, is vier appels in karton te verpakken en die te verkopen bij benzinestations, in eerste instantie in Nederland. Dit zou meer geld kunnen opleveren dan verkoop via de groenteboer.

“Maar de grote kunst bij de tuinbouw is om door voortdurende verbeteringen van het assortiment de concurrenten voor te blijven”, zegt mr. R.E. de Jong, hoofd van de afdeling buitenlandse handel van het ministerie van landbouw.

Daar weet ir. Jan Smits, manager produkt ontwikkeling bij het Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen (CBT), alles van. Hij vertelt trots hoe de Nederlandse tuinders vijftien jaar geleden nog vrijwel geen paprika's teelden, en nu beter zijn dan wie ook. Ze hebben nu al tien kleuren paprika's ontwikkeld - alleen blauw wil maar niet lukken. Mede omdat consumenten die kleuren, van oranje tot wit, aantrekkelijk vinden, is Nederland naast Mexico het enige land dat paprika's naar de Verenigde Staten kan exporteren.

Waarde toevoegen aan tuinbouwprodukten is slechts beperkt mogelijk. Zo is de Nederlandse tomaat gewoon te duur om ingeblikt met de Italiaanse San Marzano-tomaten te concurreren. En de ontwikkeling van nieuwe produkten kost veel tijd. Tuinders zijn bezig om een mini-komkommer te maken. Voorlopig heeft dat project nog geen succes. “Maar”, zegt Smits geduldig, “de kleine cherry-tomaten werden in de jaren zeventig ontwikkeld en waren toen ook geen succes. Pas na 1985 sloegen ze plotseling aan bij de consumenten.”

Ook wordt getracht een pepino te ontwikkelen met één vaste, betrouwbare smaak. De pepino is een witte vrucht met paarse adering, met de grootte van een struisvogelei. Deze vrucht, familie van de tomaat, komt tot nu toe in Australië, Nieuw-Zeeland, Peru en Chili voor. Deze pepino's kennen echter grote smaakverschillen.

Het zogenaamde vlinderproject is bedoeld om produkten uit kassen een bijzondere waarde te geven voor consumenten die geïnteresseerd zijn in de aanprijzing "milieubewuste teelt'. Bij deze teelt is geen sprake van chemische grondontsmetting, zijn de gebruikte middelen voor gewasbescherming geregistreerd en zijn minimaal twee keer biologische bestrijdingsmiddelen toegepast. Volgens Smits hebben kritici gelijk dat het allemaal wat milieubewustheid betreft nog niet veel voorstelt, “maar het is een begin”. En de grote Duitse klanten zijn er zeer tevreden mee.

Het vlinderproject speelt ook een rol bij de acties waarmee de tuinbouw een aantal zorgelijke ontwikkelingen het hoofd tracht te bieden. Hoewel marktonderzoeken uitwijzen dat de Nederlandse produkten een goede reputatie hebben, verschijnen in de Duitse pers de laatste jaren voortdurend verhalen over het "onnatuurlijke' van teelt in kassen. De tuinders zijn zeer attent op hun imago in het belangrijkste exportland Duitsland, waar ze met komkommers een marktaandeel hebben van 71 procent, met tomaten van 62 procent en met paprika's van 45 procent.

Eric Truffino, hoofd promotie van het CBT, zegt dat wantrouwen tegen Nederlandse produkten emotionele gronden heeft. Rationele uitleg dat de kasteelt volkomen verantwoord is, is daartegen dikwijls niet opgewassen. Het CBT bereidt nu een reclamecampagne in Duitsland voor, waarin wordt getoond hoe Spanjaarden, Italianen en Fransen - die de reputatie hebben in de volle grond, beschenen door de zon "natuurlijker' te produceren - toch Nederlandse tomaten kunnen eten.

Een andere zorg voor de tuinbouw is dat akkerbouwers zich, in verband met de veranderingen in het Europese landbouwbeleid, op de volle-grondteelt van groente storten. Dat gebeurt in Nederland, maar vooral ook in Frankrijk, waardoor de Nederlandse export naar dat land licht terugloopt. Het heeft er al toe geleid dat de prijs van witlof door overproduktie volledig is ingestort. Verwacht wordt dat hetzelfde gebeurt met prei en spruiten. Dat krijgt dramatische gevolgen met faillissementen, waarbij alleen de sterksten overleven. Daarvan is men zowel bij het ministerie van Landbouw als bij het CBT overtuigd.

Ervaren tuinders kijken kritisch naar het oosten van Duitsland, waar mogelijk een concurrerend kassengebied komt. Nederlandse kassenbouwers kunnen goede zaken doen door in Duitsland de bedreiging voor de Nederlandse marktpositie op poten te helpen. Toch zijn de Nederlandse tuinders niet bang. Want hun systeem van samenwerking bij produktontwikkeling, kwaliteitsverbetering en ziektenbestrijding en hun efficient georganiseerde distributie is moeilijk te evenaren.

Ze zien evenmin op tegen toenemende concurrentie uit Oosteuropese landen als Hongarije en Bulgarije. Ze rekenen op een zelfde gang van zaken als na de toetreding van Spanje tot de EG. Dat land werd meer afnemer dan concurrent. In het Joegoslavië van voor de burgeroorlog werd ook al ervaren dat wie het kon betalen graag Nederlandse produkten kocht. Aan Polen verkocht Nederland vorig jaar al 1,5 miljoen kilo paprika's en 19 miljoen kilo tomaten.

Hoe waarde kan worden toegevoegd aan een traditioneel Nederlands produkt als de consumptieaardappel is eveneens onderwerp van voortdurend onderzoek. In de jaren zestig is de industrie van voorgebakken frites opgekomen, die de laatste tien jaar explosief groeide. Werd in Nederland in 1983 jaarlijks nog één miljoen ton frites voorgebakken, nu is die hoeveelheid verdubbeld. Maar overal in Europa hebben inmiddels zoveel bedrijven zich op het bakken van frites gestort, dat de concurrentie moordend is geworden. De voorgebakken frites, waarvan 85 procent wordt geëxporteerd, wordt volgens ir. Pieter Hijma, secretaris van het produktschap voor aardappelen, in zoveel verschillende vormen op de markt gebracht, dat er moeilijk nog iets nieuws te bedenken is.

Voor vacuüm verpakte voorgekookte aardappelen is slechts een zeer beperkte markt. De aardappeltelers die jaarlijks zeven miljoen ton produceren, zoeken nu toegevoegde waarde in nieuwe verpakkingen. Verpakking in kartonnen dozen in plaats van in plastic bleek geen succes. Nu wil men de aardappels in papieren zakken doen. Deze zakken kunnen als ze leeg zijn worden gebruikt om groente- en fruitafval in te doen, waarna ze met dat afval in de groene container worden gegooid.

Zoals de zuivelsector telkens nieuwe toetjes en kazen introduceert, zo zoekt de agrarische industrie ook elders naar vernieuwing. Net als de telers van bloembollen, die in Japan worden geconfronteerd met produkten die zijn geteeld met door hun zelf geleverd materiaal, moet men overal een antwoord vinden op nieuwe concurrentie.

Volgens staatssecretaris Van Rooy heeft het huidige Nederlandse agrarische exportpakket, door een samenstelling waarbij beperkt waarde aan de bulkprodukten wordt toegevoegd, “relatief zwakke groeivooruitzichten”. Dat wordt in de agrarische wereld niet ontkend. Maar wel is men ervan overtuigd dat de groei van de export in ieder geval doorgaat, mede dank zij voortdurende initiatieven om de concurrenten voor te blijven.