De rivier

De Waal, leerden we op school. De stroom, zeiden ze op het dorp en dat zeiden ze niet zoals je het schrijft, maar met een glanzende a-klank onder de oo. Ik oefen deze klank nog weleens met mijn vader.

Ik heb de Waal altijd een lelijke naam gevonden, zo wee, zo glad, zo dicht bij kokhalzen. De stroom klonk beter, maar niet zonder haken en ogen, het was toch alsof ze op het dorp niet goed op de hoogte waren van hun eigen rivier, alsof ze in hun onwetendheid maar een woord hadden opgediept en van toepassing verklaard. Ik bedoel, ik hield wel van die mensen, maar ze hadden niet op de HBS gezeten.

Later, jaren later, in 1989 om precies te zijn, las ik "Bar en Boos', een boek van drs. J. Buisman over zeven eeuwen winterweer. Daarin deze regels met betrekking tot de winter van 1423-'24: “Natte herfst. Daarbij tot in dec. zacht met bloeiende viooltjes e.d. Eind dec. vorstig, voortgaand in jan. Zaltbommel delft tolinkomsten van 19 jan.- 14 fbr., "want die stroem vol ijss ginck' (ijsgang).”

Die stroem, de stroom! 1424! Een schok van herkenning, een grijns van voldoening. De mensen van het dorp waren in m'n nabijheid en ik begreep ze, ik begreep ze helemaal.

In hun taal gingen deze mensen eeuwen terug, in hun taal hadden ze een stamboom.