BTW-verlaging?

Omdat het peil van de collectieve lasten dit jaar hoger uitvalt dan volgens letter en geest van het regeerakkoord is toegestaan (53,6 procent van het nationaal inkomen), is het kabinet van plan om per 1 oktober het normale tarief van de BTW met een vol punt te verlagen tot 17,5 procent.

Enkele PvdA-bewindslieden hebben in het publiek min of meer spijt betuigd dat zij destijds hun handtekening hebben gezet onder een politiek bindend contract met deze norm voor het collectieve lastenpeil. De met een BTW-verlaging gemoeide middelen kunnen inderdaad ook worden gebruikt voor verbetering van de leefomgeving, investeringen in de Betuwelijn of het optrekken van de salarissen van onderwijsgevenden.

Belasting betalende burgers mogen zich echter gelukkig prijzen dat aan de stijging van belastingen en premies een plafond is gesteld. Deze afspraak vooraf vergemakkelijkt het leven van de minister van financiën, die de ondankbare taak heeft om de geldverslindende verlangens van zijn collega's op de "spending departments' te onderdrukken. Bij afwezigheid van een lastenplafond zou het peil van belastingen en premies voor de sociale verzekeringen ieder jaar opnieuw ter discussie staan en hoogstwaarschijnlijk elk jaar opnieuw wat omhoog gaan.

Al staat de wenselijkheid van een beperkte belastingreductie buiten kijf, wel rijst de vraag of juist het BTW-tarief het meest voor verlaging in aanmerking komt. Zou de met de aangekondigde BTW-verlaging gemoeide 1,7 miljard gulden niet beter kunnen worden besteed voor verkleining van de "wig' tussen de loonkosten voor de werkgevers en het bijbehorende netto loon van de werknemer? Door loonbelasting, sociale premies en pensioenbijdrage komt een verhoging van het netto loon met honderd gulden overeen met ruim tweehonderd gulden aan loonkosten. Wanneer deze kloof van ruim honderd gulden wordt versmald door een verlaging van het tarief van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting met driekwart punt (kosten voor de schatkist eveneens 1,7 miljard), maakt dat niet alleen de produktiefactor arbeid goedkoper, maar is dat bovendien gunstig voor alle zelfstandigen en uitkeringsontvangers. Iedere belastingbetaler krijgt zo een lastenverlichting, die oploopt tot maximaal driehonderd gulden. Op deze manier draagt de belastingverlaging tevens bij aan een gelijkmatige inkomensontwikkeling in 1993.

Het voordeel door een BTW-verlaging neemt daarentegen toe met de omvang van de bestedingen. Hoe hoger de consumptieve uitgaven van een gezin zijn, hoe groter het profijt. Sommige tegenstanders van BTW-verlaging zit dat niet lekker. De vliegvakantie naar Griekenland wordt vijftien gulden goedkoper en de aanschaf van een middenklasse auto kost straks drie tot vierhonderd gulden minder. Dat is allemaal slecht voor het milieu. Dus zou de BTW niet omlaag mogen.

Het is een nogal rare redenering. Consumenten in Nederland mogen gelukkig zelf bepalen aan welke goederen zij hun vrij besteedbaar inkomen willen spenderen. Zou de overheid het met de BTW-verlaging gemoeide geld zelf uitgeven, bij voorbeeld aan een extra salarisronde voor leraren en onderwijzers, dan kan die beroepsgroep langer op vakantie in Frankrijk, wat ook niet best is voor het Europese milieu.

Voorstanders van de BTW-verlaging hebben verschillende pijlen op hun boog. De BTW is begrepen in de winkelprijzen. Als alle ondernemers de verlaging van het BTW-percentage straks aan hun klanten doorgeven, stijgen de kosten van levensonderhoud minder snel. Dit argument snijdt hout, want de huidige oplopende inflatie is schadelijk voor de economie. Zolang onze geldontwaarding niet groter is dan die in Duitsland en zij bovendien beneden het EG-gemiddelde blijft, is het echter goed verdedigbaar om de voor lastenverlichting beschikbare middelen in te zetten voor een versmalling van de wig tussen loonkosten en netto loon, die nagenoeg nergens in Europa zo groot is als in Nederland.

Juist de geleidelijke Europese eenwording vormt een volgend argument van de voorstanders van BTW-verlaging. Vanaf 1 januari 1993 mogen Nederlandse particulieren zoveel in het buitenland kopen als ze willen, zonder dat zij bij invoer BTW hoeven te betalen. In Duitsland bedraagt het algemene BTW-tarief momenteel 14 procent. Het tariefverschil met Nederland (4,5 punt) zou de vaderlandse consumenten straks kunnen bewegen om veel duurzame consumptiegoederen (meubels, electronica) bij de oosterburen te kopen. Tussen haakjes: personenauto's vallen niet onder de nieuwe regeling. Het Duitse BTW-tarief wordt binnenkort verhoogd tot 15 procent. Het zou mooi zijn als ook Nederland een duit in het zakje doet door het eigen tarief te verlagen. De BTW-kloof met Duitsland is dan gereduceerd tot 2,5 punt. Dit onmiskenbare voordeel moet worden afgewogen tegen de voordelen van een kleinere wig. Overigens menen Eurocraten in Brussel dat tariefverschillen bij de BTW van vier tot vijf punten mogelijk zijn, voordat een omvangrijke stroom van grensoverschrijdende aankopen ontstaat.

Ten slotte kunnen voorstanders van BTW-verlaging zich beroepen op het regeerakkoord waarin staat dat het tarief van de omzetbelasting deze regeerperiode zal dalen. Het is een formeel, maar sterk argument, omdat een regeerakkoord niet naar believen mag worden opengebroken.

Toch mag de vorm van de komende lastenverlaging geen uitgemaakte zaak zijn. Alles afwegend lijkt een vermindering van de belastingdruk op de inkomens zeker zo goed te verdedigen als een beperking van de belastingdruk op de bestedingen, vooral omdat wigverkleining leidt tot een betere werking van de arbeidsmarkt.