Amsterdamse regioraad moet nut nog bewijzen

Vandaag werd met enig ceremonieel het Regionaal orgaan Amsterdam (ROA), de nieuwe regioraad van Amsterdam en zijn randgemeenten, geïnstalleerd in het Amsterdamse stadhuis. Vooralsnog worden de bevoegdheden van de raad door critici als “vederlicht” bestempeld.

AMSTERDAM, 30 JUNI. “Het is een groot probleem, het ROA zegt niemand iets. De afkorting is ook niet erg uitnodigend om een enorme hoeveelheid burgerzin te ontwikkelen. Zo van: het is mijn ROA, daar ben ik geboren en getogen en daar wil ik begraven worden.”

Ed van Thijn, burgemeester van Amsterdam en in die kwaliteit automatisch voorzitter van de nieuwe regioraad, geeft het volmondig toe: niet veel mensen weten wat achter de lettercombinatie ROA schuil gaat. De 15 aangesloten gemeenten weten zelf ook nog niet precies welke vorm de nieuwe regioraad zal krijgen. Niettemin is Van Thijn enthousiast. “Dit is een belangrijk begin, een eerste stap in een onomkeerbaar proces”, aldus de voorzitter van de regioraad.

Op indirecte wijze gekozen uit het midden van de raadsleden en burgemeesters en met als taak het “aangeven van de hoofdlijnen” voor het beleid op een beperkt aantal gebieden, is de bestuurlijke opzet van het ROA vooralsnog bescheiden. De regioraad zal voor eind 1994 moeten beslissen wat de definitieve vorm wordt en dus twee jaar de tijd hebben om zich waar te maken. “De ROA heeft de kiezers nu nog niks te bieden. Het is een constituerende vergadering. Pas als de hele boel in de steigers staat is er reden voor directe verkiezingen”, aldus Van Thijn.

Wat over twee jaar in de steigers staat is evenwel nog niet duidelijk. In tegenstelling tot eerdere "hemelbestormende' pogingen tot bestuurlijke vernieuwing in de jaren zestig is nu voor een meer pragmatische aanpak gekozen, aldus Van Thijn. De meest vergaande optie is een nieuw orgaan waaraan bevoegdheden van het rijk, de gemeenten en de provincie worden overgedragen. Een stadsprovincie, zoals nu gepland is voor het Overlegorgaan Rijnmondgemeenten (OOR), de Rotterdamse tegenhanger van het ROA. Onder de ROA-gemeenten zijn de meningen over de toekomst verdeeld. De houding tegenover het nieuwe regio-orgaan houdt het midden tussen wantrouwen en de angst de boot te missen.

Al hoedt Van Thijn zich voor het duidelijk uitspreken van een ideaalbeeld, hij toont zich opmerkelijk enthousiast voor het Rotterdamse model. “Het model van het OOR is helder en inspirerend. Het kiest voor de versterking van het lokale bestuur, maar ook voor provincie-vrij maken van Rijnmond en de binnengemeentelijke decentralisatie”, aldus Van Thijn, die deze aanpak “snel en visionair” noemt.

Diplomatie blijft evenwel geboden. Amsterdam kent een kleurrijke traditie op het gebied van ruzies met de randgemeenten. Al in het begin van de zestiende eeuw trachtte de hoofdstad met de zogenaamde “Order op de buitennering” nieuwe economische activiteiten buiten de stadsmuren de kop in te drukken. Reden voor Edammers om toen al bitter op te merken dat “de steede van Amsterdam onse hooftstede is...waervan wij litmaeten zijn”. Nog deze eeuw verviervoudigde de hoofdstad haar grondoppervlak door een groot aantal omliggende dorpen en polders te annexeren. Doorgaans tot groot ongenoegen van de bewoners.

Anders dan de Rotterdamse regio, waar het havengebied als een sterk samenbindende factor geldt, kent het Amsterdamse gebied een meer verbrokkeld patroon van gemeenschappelijke belangen. De opstelling van de aangesloten gemeenten is dan ook navenant opportunistisch.

In noordelijke gemeenten als Zaanstad en Purmerend overheerst de angst zich bestuurlijk te isoleren van de economische ontwikkelingen die vooral aan de zuidkant van de Amsterdamse regio plaatsvinden. De gemeente Haarlemmermeer vormt de kern van veel economische ontwikkelingen en stelt zich bijgevolg wat afstandelijker tegenover het ROA op. Almere behoort eveneens tot het ROA, maar heeft te kennen gegeven dat een hechtere structuur met directe verkiezingen voor haar niet in het verschiet ligt, al was het alleen maar omdat de stad nu eenmaal niet onder Noord-Holland valt. De gemeenten Oostzaan en Wormer besloten hierop niet te wachten en zijn reeds afgehaakt uit angst te veel van de eigen autonomie in te leveren.

Blijft de vraag wat de toekomst van de hoofdstad is. De gemeente dreigt immers op twee niveau's onttakeld te worden. Aan de ene kant door het ROA, aan de andere kant nemen de twee jaar geleden ingestelde deelraden van de stad een deel van het takenpakket over. Dreigt geen bestuurlijk vacuüm gecrëerd te worden ?

Van Thijn meent van niet. “Je ziet dat ook in Rotterdam en Den Haag in snel tempo wordt gewerkt aan de binnengemeentelijke decentralisatie om de sprong naar de regio te kunnen maken. Het een hangt ten nauwste samen met het ander”, aldus Van Thijn. Hij wijst er op dat de gebieden waar de regioraad zich mee bemoeit (ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, vervoer en verkeer, milieu en economische aangelegenheden) verschillen van de taken van de deelraden.

Van Thijn erkent dat met het instellen van het ROA een nieuwe bestuurslaag wordt gecreëerd in het bestuurlijk toch al overvolle Nederland. “Het kan zo ook niet blijven. Vandaar ook dat de provincie en de steden ter discussie staat”, aldus Van Thijn. De burgemeester bepleit een nationaal debat over alle kerntaken van de overheid. “We hebben van alles te veel in Nederland. Er moet een behoorlijke opruiming komen”, aldus Van Thijn.

Op de vraag wat over twee jaar van de rol van de gemeente Amsterdam resteert, moet de burgemeester het antwoord schuldig blijven. Dat Amsterdam als hoofdstad van Nederland ophoudt te bestaan en de onmetelijke verzameling gemeentelijke kunstschatten wordt verdeeld tussen deelraden en ROA-gemeenten, verwerpt Van Thijn krachtig. “Onzin. Amsterdam verdwijnt niet. Dan zou je grondwet moeten herzien. En bovendien zie ik de Nachtwacht nog niet hangen in het museum van Purmerend.”