Zeeuw heeft veel kritiek op ploeg, maar hoopt nog op een nieuwe sponsor; Raas heeft voor veel renners slecht nieuws; Nee, Steven Rooks heeft me nog niet overtuigd'

MEERSSEN, 29 JUNI. De hoop op een nieuwe sponsor voor zijn ploeg heeft Jan Raas nog niet helemaal opgegeven, de hoop dat de renners hun mentaliteit verbeteren wel. Mocht zich in de komende twee maanden nog een bedrijf bij hem melden dat bereid is ten minste drie tot vier miljoen in het voortbestaan van de Stichting Professional Cycling Promotion te investeren, dan nog zal Raas met een royaal gebaar een groot deel van zijn ploeg laten gaan. De Zeeuw is diep teleurgesteld in de prestatiedrang van de renners.

Alleen de aanwezigheid van zijn wielervriend Freek de Jonge bij het Nederlandse kampioenschap in Meerssen heeft Jan Raas het afgelopen weekeinde vrolijk kunnen stemmen. De verrichtingen van zijn renners gaven hem alleen nog maar meer de overtuiging dat “het die jongens allemaal niet meer interesseert”. Als Jan Coenraads, de trouwe chauffeur van de Buckler-rennersbus, zaterdagmiddag nog eens een koud blikje alcoholvrij bier aanreikt, bekritiseert hij zijn werknemers. “De namen kun je zelf invullen. Maar ach, zo slecht is het ook niet als je eerste staat in de wereldbeker voor ploegen”, probeert hij zijn spontaniteit in te slikken.

Steven Rooks, hij is toch maar een paar keer tweede geworden, zelfs in Luik-Bastenaken-Luik. Het cynisme is in de koele bus niet van de lucht. De manier waarop Rooks Dirk de Wolf er met de overwinning vandoor liet gaan, heeft hem nog maar eens overtuigd hoe het met de tegenwoordige beroepsernst van de 31-jarige Noordhollandse prof is gesteld. “Nee, Rooks heeft me nog niet overtuigd”, zucht Raas en achter de brilleglazen verschijnt de bekende glimlach die meer zegt dat zijn mond.

Renners die in hun progressie zijn blijven steken, renners die besmet zijn met de profmentaliteit van de ouderen. “Die organisator van de Ronde van Midden-Zeeland had toch gelijk met zijn brief aan de wielerunie. Dat ze niet meer willen rijden. In de Ronde van Luxemburg, in de Midi Libre, wedstrijden in Spanje, ik kan je zo tien wedstrijden opnoemen waarvan ze hier niet weten hoe schandalig die profs zich hebben gedragen.” Als hij tien miljoen kreeg van een sponsor, dan nog vliegt ten minste de helft van zijn ploeg eruit. “Met jonge jongens heb ik altijd het liefst gewerkt.”

Hij heeft net weer een telefoontje gehad. Weer een kandidaat-sponsor afgevallen. Sinds hij in januari op zoek ging (“met veel steun van Heineken”) zijn de onderhandelingen met zeker vijf á zes bedrijven in een vergevorderd stadium geweest. Louter bedrijfstechnische overwegingen gaven vervolgens de doorslag om toch maar geen wielerploeg te sponsoren. “Konden de vestiging Nederland en Spanje of België niet op één lijn komen. Ze hebben het budget er gewoon niet meer voor. Zes, zeven miljoen in deze tijd kunnen ze zich niet meer veroorloven. Het sponsoringbudget is op. Evenementsponsoring vinden ze nog interessant, een Europees- of wereldkampioenschap voetbal, golf of tennis, kan nog net.

Vijf maanden is hij met het werven van sponsors “serieus bezig geweest”. Nee, niet te laat, dat was de afspraak met de huidige sponsor Buckler. “Die sponsors willen meer dan een naam op een truitje. Maar als Buckler niet eens in de reclamekaravaan van de Ronde van Spanje mag, omdat de organisatie een afspraak heeft met een concurrerend merk. En als we nog steeds bezig zijn om maar één wagen in de Tour-reclamekaravaan te krijgen, dan weet je hoe moordend de concurrentie onder sponsors is.”

“Ik heb voor heel veel jongens slecht nieuws”, spreekt hij dreigende taal. Maar het is niet meer zo dreigend meer als Raas kon zijn. Hij laat zijn gebruikelijke vloek achterwege. “Ik ga ze zo nog een keer vertellen hoe het zit. Ze zullen morgen op het kampioenschap moeten presteren, en ook in de Tour natuurlijk. Ze zullen aan hun marktwaarde moeten denken. Voor mij en voor hunzelf.” Maar hij beseft dat er een paar zullen zijn die hem zullen uitlachen. Dat is hun mentaliteit of ze hebben al riante aanbiedingen op zak van een andere ploeg.

“Als je Frans Maassen ziet, stuur hem dan even!”, roept Raas door de bus tegen een jongen van het personeel. Over Maassen kan hij nog met waardering spreken. “Die jongen verbetert steeds meer. Die kan nog veel meer.” Maar hij weet dat Maassen, Nijdam, de Belg Van Hooydonck en Rooks genoeg andere aanbiedingen hebben. Misschien hebben ze al getekend, speculeert hij. Die datum van 6 september zetten er zo boven. Dat is niet zo moeilijk. Pas na die dag, de dag van het wereldkampioenschap, mag er volgens de internationale wielerreglementen een contract bij een andere werkegever worden getekend.

“Maar ik heb iets, wat de meeste jongens niet weten”, zegt hij plotseling hoopvol. “Nou, zo'n Van Hooydonck heeft dat al laten uitzoeken natuurlijk.” Hij gaat ze vanavond (zaterdag) vertellen dat er in het contract tussen renner en Stichting een interessante clausule staat. “Wanneer de renner een aanbod heeft van een andere sponsor, dan heeft de stichting het recht hetzelfde aanbod te doen.” Ze krijgen allemaal een brief waarin dat haarfijn wordt uitgelegd.

Het is dat laatste vleugje hoop dat hij nog voor september een sponsor vindt. Maar de kans is klein. “Ik ken al negen andere ploegen in het peloton waarvan ik zeker weet dat ze stoppen. De werkgelegendheid voor de renners neemt af. Misschien is het wel goed zo. Het kon niet uitblijven. Wat voor salarissen er betaald moesten worden om een beetje behoorlijke ploeg op de been te brengen. Iedereen kon zomaar prof worden. En wat rijdt er nu voor talent bij de amateurs rond? Ik ken ze niet eens. Nederlands talent, ik zou het niet weten.”

Raas verwijst naar zijn concurrenten Post en Gisbers. “Die hebben het niet voor niets net zo moeilijk gehad. En allemaal buitenlandse renners, hè.” Post zou al een opvolger hebben voor Panasonic, Gisbers ook. Namen circuleren, maar ze zouden het pas bekend willen maken als de tijd voor publiciteit het aantrekkelijkst is, in de Tour natuurlijk. Dat willen de buitenlandse sponsors, want zoveel is zeker, het geld komt uit het buitenland. Gisbers overweegt zelfs zijn ploeg (“met zeker tien Nederlanders”) met een buitenlandse licentie te laten rijden. Het wielrenklimaat bevalt hem niet langer meer. Nog steeds is hij de verbolgen over de manier waarop de KNWU (de Nederlandse wielrenunie) eind vorig jaar hem per een bewust uitgelekte brief de les las over de intralipid-affaire in de Tour de France en domweg van doping beschuldigde. Als dat de enige bemoeienis is van de KNWU, dan hoeft het niet meer voor hem.

Raas wacht stilletjes af, 39 is hij nu. Wat gaat hijzelf doen? “Ik heb me daar nog geen moment druk over gemaakt. Er is genoeg tijd tot september. En er zal vast wel wat anders te doen zijn als het niet doorgaat.” De man die als renner de Nederlandse wielersport in het vorige decennium naar grote hoogte fietste, schreeuwde en tierde, kan zich niet meer vereenzelvigen met de mentaliteit van deze generatie. Je zou bijna zeggen dat hij die sponsors gelijk geeft.