Moraal van zakendoen als gat in de markt

Staatssecretaris Kosto is voorzitter van het nieuwe Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Daarin zullen ondernemers en overheid de krachten bundelen in de strijd tegen de misdaad, waarvan het bedrijfsleven als eerste te lijden heeft. Bij de plechtige installatie van het platform presenteerde de bewindsman een opmerkelijk actiepunt: een ethische gedragscode voor bedrijven om hun weerbaarheid tegen “de corrumperende avances van de georganiseerde misdaad” te vergroten. Geen zaken doen met criminelen, zo vatte het VNO-blad De Onderneming de boodschap handzaam samen.

Er ligt zeker een gat in de markt. De moraal van het zakendoen is een geliefd onderwerp in het onderwijs - een traditie die overigens teruggaat tot Caspar van Baerle aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre in de Gouden Eeuw - maar met bedrijfscodes hebben we hier mog weinig ervaring. Kosto stelt de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ten voorbeeld. Inderdaad hebben respectievelijk drievierde en eenderde van alle grote bedrijven daar een code. Maar niet zozeer tegen de mafia als wel tegen zichzelf. Vooral in de VS is in de jaren zeventig een golf van gedragsregels tot stand gekomen als reactie op schandalen met betrekking tot buitenlandse steekpenningen en politieke contributies (Lockheed, Gulf).

Zakenlieden zien zichzelf als redelijk ethisch, op gelijk niveau met advocaten en ambtenaren en zeker verheven boven vakbondsvertegenwoordigers, journalisten en politici, zo bleek in 1983 uit een meningspeiling onder 1.000 managers in zestien landen door het blad International Management. Het gros rapporteerde trouwens dat hen in de voorafgaande vijf jaar geen oneerbaar voorstel had bereikt. Uit een publieksenquête van The New York Times in 1985 bleek echter een ander beeld: slechts 32 procent steunde de stelling dat de meeste managers eerlijk zijn. Meer dan de helft van de Amerikanen dacht van niet.

Nu is met name in sommige sectoren in de VS zaken doen met racketeers geen zeldzaamheid; de bouw en de kledingindustrie in New York City zijn befaamde voorbeelden. Het griezelige is dat de mafia vaak werkelijk wat te bieden heeft: een aantrekkelijke oplossing voor problemen die politici en ambtenaren niet kunnen of willen regelen (althans, in de ogen van het bedrijfsleven). De Utrechtse hoogleraar criminologie dr. F. Bovenkerk die deze theorie van "politieke opportuniteit' aanhangt, noemt in het geval van Nederland knokploegen tegen krakers, koppelbazen, het wegwerken van schadelijk afval. Het is natuurlijk maar wat men opportuun noemt: aanvankelijk vullen de "misdaadmanagers' wellicht een bestuurlijk gat, maar eenmaal verzelfstandigd en machtig zijn zij het die de politieke en economische orde bepalen. Helpt een gedragscode daar echter werkelijk tegen?

Uit het onderzoek van International management in 1983 sprak een markante neiging in het bedrijfsleven eerder een opportunistische dan een morele uitweg uit dilemma's te kiezen. Naar Amerikaanse ervaring wordt dat nader in de hand gewerkt door agressieve aandeelhouders of resultaatgerichte beloningschema's voor managers. Een Britse organisatiedeskundige wees nog speciaal op het aspect van "group think': voor een dilemma gesteld gaat de manager liever te rade bij zijn collega's dan dat hij bijvoorbeeld zijn echtgenote eens vraagt wat zij ervan vindt. Een Amerikaanse topman hield het er in zijn tijd trouwens op dat niet zozeer de zakenmoraal was afgegleden, alswel de sociale moraal in haar geheel. Daar zat iets in.

En dan is er natuurlijk de dubbele moraal, of beter gezegd het onderscheid tussen moraal voor binnenlands en buitenland gebruik. "In Rome do as the Romans do', nietwaar? Het waren niet voor niets vooral buitenlandse smeergelden die in de VS het verschijnsel gedragscode een opsteker gaven en een hele "cottage industry' van ethische consulenten en speciale seminars aan prestigieuze universiteiten hebben voortgebracht. Ook in Nederland is het goed filosoferen over gasmaskers voor Irak, zoals Jan Libbenga vorig jaar in deze krant berichtte. Hier liggen ongedachte kansen voor het religieuze reveil dat onze minister van justitie Hirsch Ballin tot speerpunt van de misdaadbestrijding wil maken. In de VS liep een coalitie van kerkgenootschappen in de jaren zeventig voorop in de campagne voor "sociale verantwoordelijkheid' van multinationals in de wereld.

Dichter bij huis liggen echter ethische knelpunten als voorkennis bij transacties, milieu-aantasting (als onderscheiden van regelrechte vervuiling), het achterhouden van informatie voor het eigen personeel of publieke instellingen. Het is interessant te zien wat de code van Kosto daarover heeft te zeggen. In de VS modelleerde de vliegtuigbouwer McDonnell-Douglas in het begin van de jaren tachtig een nieuwe bedrijfscode naar de padvinderswet (de president-directeur was een voormalige voorzitter van de Boy Scouts of America). Dit verhinderde niet dat het bedrijf in aanvaring kwam met het Pentagon, dat zich beklaagde over de slordige afwerking van met name de F-18. Het probleem staat bekend als "where the law ends', zoals het werd uitgedrukt in de titel van een boek. Zelfregulering heeft natuurlijk een hele traditie - variërend van de reclamecode tot internationale gedragsregels voor babymelkpoeder - maar werkt toch vooral pas met een (wettelijke) stok achter de deur.

Als de theorie van Bovenkerk klopt, dan is voor de aanpak van de georganiseerde misdaad primair bestuurlijke moed vereist. Om die aan te spreken heeft de staatssecretaris niet een speciaal platform nodig; daarvoor kan hij terecht in het eigen regeringskasteel.