Koningshuis is belemmering voor een glorieuze toekomst; Britse monarchie is magie kwijt

Toen George V in 1932 zijn eerste koninklijke kerstboodschap voor de radio hield, kuchte hij en de Britten slaakten een tevreden zucht: “Een koning die kucht is een medemens”, schreef The Spectator voor de lezer die daaraan mocht twijfelen.

Thans vergaapt een gehypnotiseerde wereld zich aan de echtscheidingen der Windsors, hun extravaganties, clandestiene afspraakjes, geruchtmakende foto's, zelfmoordpogingen, voorgekookte primeurs, vaderschapsprocessen enzovoort - genoeg om tot het besef te komen dat de leden van het koningshuis net zo zijn als u en ik. Tel uit je winst.

Dit stelletje prulprinsen en -prinsessen - Faulkners familie Snopes opgedoft voor een optocht - bejegent elkander wreed, en het publiek dat de rekening van hun ordinaire levenswijze gepresenteerd krijgt, met dédain. Ze halen de monarchie voortvarender van haar voetstuk dan republikeinen dat ooit zou kunnen.

Republikeinen hanteren van oudsher snorkerige redeneringen als zou de monarchie een atavistisch verlangen vertegenwoordigen naar ouderfiguren die zorgdragen voor politieke cohesie. Maar het betoog tegen het verfomfaaide Britse koningshuis laat zich dezer dagen klip en klaar als volgt samenvatten:

Wie in verheven luister handelt, moet geen kitsch verkopen: dat getuigt behalve van slechte smaak ook van slecht zakelijk inzicht. Wie (om Walter Bagehots tweedeling aan te houden) deel uitmaakt van het waardige, en niet het doelgerichte aspect van de staat, hoede zich voor vulgariteit. Wie tot taak heeft het leven van de gewone man te desemen met stichtelijk spektakel, hij stichte of pakke zijn biezen.

Ooit verdedigden monarchisten de monarchie met de stelling dat de zwakte die haar bestaan rechtvaardigt in wezen een kracht is: “Natuurlijk is de monarchie irrationeel - dat móét ze zijn.” Dat wil zeggen, de monarchie zou de haar toegeschreven kracht als maatschappelijk bindmiddel, haar magisch vermogen de natie tot een grote familie te versmelten, verliezen als ze dreef op het dunne brouwsel der rede. Maar heden ten dage bezorgt de familie Windsor, ooit de hoeksteen van de Britse samenleving, de burgermoraal een nog kwalijker reputatie dan de burgers zelf.

De Britse dynastie, met haar matresses en onwettige kinderen (Willem IV, die stierf in 1837, verwekte er tien bij één actrice - ook een soort monogamie, zou je kunnen zeggen), heeft een conduitestaat die bordeelgangers zou doen blozen, maar tot voor enkele tientallen jaren wendde de pers discreet haar blik af.

Toen de Prins van Wales het in de jaren 1930 te pakken kreeg van mevrouw Wallace Simpson, hield de Britse pers haar mond en versterkte zo zijn fatale waan van onkwetsbaarheid. Echter, wie leeft bij de publiciteit, zoals de Windsors tegenwoordig verkiezen te doen, en zoals een hedendaags koningshuis wel zal moeten doen, loopt gevaar er door te worden gemangeld, vooral wanneer zo'n koningshuis ook met religieuze waardigheid is bekleed.

Enkele tientallen jaren geleden zei een aartsbisschop op een vraag naar de theologische voorkeuren van de Windsors: “Ze zijn allemaal Low Church (sober-calvinistisch, vert.). Dat komt doordat ze uit het buitenland komen.”

De soeverein is “verdediger van het geloof”, wat dat op dit moment ook mag betekenen in de politiek trendgevoelige Anglicaanse Kerk. In Engeland, waar de moskeeën doorgaans meer gelovigen trekken dan de Anglicaanse kerken, betekent het bitter weinig. Veel onderdanen van de koningin komen van overzee. De Windsors weten wat dat wil zeggen. De naam Wettin, de familienaam van Albert van Saksen-Coburg-Gotha, de gemaal van koningin Victoria, werd in 1917 veranderd in Windsor, toen alles wat Duits was in een kwade reuk stond.

De wereld zou wel wat plechtstatige, saaie monarchen kunnen gebruiken als zij hun samenbindende krachten zouden gebruiken om de scherven, van wat vroeger Joegoslavië en de Sovjet-Unie was, weer aan elkaar te lijmen. De monarchie is een overblijfsel uit een primitief verleden van de mensheid, maar hier en daar in Europa's achtertuin zou primitivisme al een aanmerkelijke verbetering vormen ten opzichte van het heersende barbarisme. Voor wie zich niet aan de monarchie vergaapt - volwassenen dus - is het nut haar enige rechtvaardiging. Maar voor Groot-Brittannië is het koningshuis van geen enkel praktisch nut.

De Britse bevolking, zo wordt gezegd, houdt ervan en heeft er dus recht op. Maar die drogredenering zou niet opgaan als het om gin ging en ze roept de belangrijke vraag op of de Britse monarchie 'slands pogingen om datgene na te streven wat het zou moeten nastreven, bevordert of belemmert. De Britten moeten zich eens afvragen of de monarchie, een "band met een glorieus verleden', niet een mentaliteit van terugblikken aanwakkert en zo onwillekeurig snobisme en klassehiërarchie onderschrijft. Als dat zo is, bemoeilijkt de monarchie de verwezenlijking van een glorieuze toekomst.

De monarchie kost handenvol geld (het is moeilijk precies vast te stellen hoeveel tientallen miljoenen ponden). Ze vormt alleen een solide investering als het hof inderdaad jumbo-ladingen toeristen trekt. Maar wellicht zijn de Britten tevreden met een regeringsvorm die bestaat bij de gratie van een zakelijk denken dat de directie van een pretpark zou passen.

Het voordeel van afschaffing van de monarchie weegt misschien niet op tegen alle omhaal en afleiding van wezenlijke zaken die ermee zijn gemoeid. Dat is de kern van het opmerkelijk lauwe pleidooi dat The Economist thans houdt: als instituut is de monarchie te onbenullig om er woorden aan vuil te maken. Maar zoals Walter Bagehot, de grote negentiende eeuwse hoofdredacteur van The Economist heeft gezegd: “Ons koningshuis is er voor alles om te worden vereerd, en als je erin gaat wroeten, kun je het niet meer vereren ... Men late geen daglicht schijnen over wat magisch is.”

Die magie is eraf. Als de huidige draagster van de kroon ermee ophoudt, moeten ze op Buckingham Palace het licht maar eens uitdoen.

© Washington Post Writers Group