Justitie wijst gebruik anatomische poppen af

DEN HAAG, 29 JUNI. Het gebruik van anatomisch correcte poppen bij het verhoor van jonge kinderen in zedenzaken moet worden afgeschaft, zo meent een werkgroep van het Openbaar Ministerie. Dit heeft de voorzitter van die werkgroep, de Arnhemse advocaat-generaal mr. Hulsenbeck, vanochtend meegedeeld.

De poppenmethode staat sinds eind 1988 ter discussie. Medewerkers van het medisch kleuterdagverblijf "De Bolderkar' in Vlaardingen concludeerden toen op basis van gesprekken met kleuters, waarbij poppen met geslachtsorganen werden gebruikt, dat veertien van de zestig kleuters het slachtoffer waren van incest. Uit nader onderzoek door het ministerie van WVC bleek in 1989 dat de methode “te snel en te slordig” was gebruikt. Sinds 1990 hanteert het Openbaar Ministerie de poppenmethode alleen als steunbewijs.

Advocaat-generaal mr. P.J. Wurzer van het gerechtshof in Den Haag zag in januari 1990 af van verdere vervolging in hoger beroep in twee strafzaken in de Bolderkar-affaire. Bij die gelegendheid verklaarde Wurzer: “Alleen als er in een strafzaak voldoende andere verklaringen zijn afgelegd en een interview met gebruik van de poppen bevestigt de eerdere lezingen, kan het poppenspel als steunbewijs dienen.”

Later plaatste ook de Hoge Raad vraagtekens bij het gebruik van de poppenspelmethode. De seksuoloog prof.dr. J. Frenken zei vorig jaar in een gesprek met deze krant over de methode: “Je kunt als onderzoeker op het verkeerde been gezet worden. Kinderen kunnen wel uit nieuwsgierigheid met piemeltje en vagina van een pop spelen, zonder iets na te spelen.”

Hulsenbeck noemt het “zuur” dat er mensen op grond van de poppenmethode zijn veroordeeld. Zij zouden om herziening van hun zaak kunnen vragen bij de Hoge Raad. Om hoeveel zaken het gaat is niet bekend.