En vroeger was het nog veel erger

Het kan overigens allemaal nog veel erger. In zijn boekje over het Nederlandse parlement uit 1975 beschrijft oud-premier Willem Drees de gebeurtenissen in december 1906, toen hij als jong stenograaf meemaakte hoe de Kamer met zes vergaderdagen per week nog net op tijd, dat wil zeggen voor 1 januari 1907, de begroting afkreeg.

“Ik maakte mee dat 's maandags om tien uur begonnen werd, dat behoudens een korte lunchpauze, ononderbroken vergaderd werd tot zes uur en daarna van acht tot twaalf. Zo ging het verder alle dagen, tot en met de zaterdag, waarop ik intussen wat vroeger weg kon gaan om de laatste trein naar Amsterdam te halen. (...)

“Ik heb meegemaakt dat de eerste kerstdag op een dinsdag viel en dat men met de begroting op de zaterdag die daaraan voorafging, nog niet klaar was gekomen. De onverstoorbare voorzitter riep ook op maandag voor Kerstmis de Kamer bijeen.”

En waardoor werd dat overwerk veroorzaakt? Drees: “Er bestond nog geen beperking van de spreektijd, per fractie evenmin als per lid. Van elke fractie konden zoveel leden aan de beraadslagingen deelnemen als maar wilden en ze konden ook zo lang spreken als ze wilden. Het is voorgekomen dat Troelstra, de leider van de S.D.A.P., bij de algemene beschouwingen over de begroting vijf uur sprak. In later jaren heeft Duijs bij een wetsontwerp van minister Talma inzake sociale verzekering liefst negen uur gesproken. Maar, mopperde Drees al in 1975: “Men was echter nog niet tot aan de dwaasheid die, waarschijnlijk naar het voorbeeld van vergaderingen van de Europese Gemeenschap in Brussel, ingang heeft gevonden: die van nachtvergaderingen.” (HS)