Buurvrouw koopt een walkman voor over de hoofddoek; Profiel van HET PORTIEKGESPREK

Amsterdamse woningbouwverenigingen hebben sinds vorig jaar portiekwerkers in dienst. Ze beleggen "portiekgesprekken' om de huisregels uit te leggen aan nieuwkomers en zo wrijvingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen te voorkomen. “In Nederland blijven schoenen niet voor deuren staan.”

“Maar ik ben altijd vriendelijk. Ik wil geen ruzie, ik wil juist vriendschap met de buren”, stamelt de Turkse vrouw. Ze zit op de vloer in haar pasbetrokken woning. Het ruikt naar behangplak en verse verf. Op de lage tafel staan schalen met eigengebakken koekjes. Op stoelen rondom zitten haar nieuwe buren: “Oh ja, dat bovenraampje in het portaal moet absoluut dichtblijven”, zegt buurvrouw Miep. “Ze gooit ook elke keer die balkondeur open”, zegt een ander. “Daar moet ze een haakje aanzetten. Je wordt gestoord van dat geklepper”. De Turkse vrouw staart naar het tapijt. “Ik maak geen problemen”, zegt ze zacht.

Bij haar wordt vanavond een zogeheten "portiekgesprek' gehouden. Zes buren en een welzijnswerker, op bezoek bij de Turkse mevrouw B., die pas met haar drie kinderen naar de Amsterdamse tuinstad Slotervaart is verhuisd. Het geluid van tjilpende vogels en spelende kinderen in de perken. “Laten we de leefregels van deze trap even één voor één aan mevrouw uitleggen”, zegt de Marokkaanse portiekwerker die de bijeenkomst leidt. Voor zich heeft hij een koffer vol documenten. “Mensen moeten verantwoordelijk met hun trap omspringen”, zegt hij terwijl hij een getypt vel uit zijn koffer trekt. “Als mensen zich niet goed gedragen verpaupert de wijk. Luistert u?” De vrouw knikt en schenkt nog een kopje koffie voor haar gasten. De portiekwerker legt het doel van avond uit: Onder zijn begeleiding maken buren met elkaar kennis en vertellen de nieuwkomer welke regels er op de trap gelden: “Dus als uw buurvrouw straks zegt: doe de muziek uit, dan gebeurt dat zonder boosheid. Begrijpt u?”

Portiekgesprekken zijn het nieuwste snufje van de moderne integratietechnologie, ontstaan in een Rotterdamse wijk waar de aanwezigheid van 45 procent allochtone gezinnen tot wrijvingen leidde. Nu vormen de gesprekken een hoofdbestanddeel van het beleid van de Amsterdamse woningbouwverenigingen om “het samenleven tussen de verschillende bevolkingsgroepen preventief te bevorderen”. Sinds een jaar heeft de helft van de Amsterdamse woningbouwverenigingen een portiekwerker in dienst. Vijftig procent van de kosten wordt door de corporaties zelf opgebracht, de gemeente past de rest bj.

Volgens de Amsterdamse Federatie van Woningbouwcorporaties zijn de portiekgesprekken een groot succes. In een onlangs uitgebracht rapport wordt het portiekwerk aangeprezen als een van dè instrumenten om problemen te voorkomen in wijken waar veel allochtonen naartoe verhuizen. Het spreiden van migranten over verschillende wijken door middel van woningtoewijzing heeft volgens de Federatie weinig zin. “Spanningen kunnen door spreiding nauwelijks worden voorkomen”, zegt E. Bartlema, beleidsmedewerker van de Federatie. Om te beginnen neemt het aantal migranten toe, zodat ook bij een "perfecte' spreiding over de stad het percentage buitenlandse gezinnen in alle wijken zal blijven stijgen. Verder kunnen de corporaties de mechanismen van de woningmarkt nauwelijks beïnvloeden. Woningen worden volgens wachttijd toegewezen. In populaire "witte' wijken als de Watergraafsmeer blijven mensen langer wonen dan elders. Het woningbezit van de corporaties is bovendien niet gelijkmatig over de stad verdeeld. Zo hebben de corporaties in de dure Rivierenbuurt nauwlijks woningbezit. “De oplossing van de problemen ligt in het wegwerken van een stukje vervreemding tussen Nederlanders en buitenlanders”, aldus Bartlema.

De laatste jaren vindt er een grote trek plaats van migranten naar de westelijke tuinsteden zoals Slotervaart, Slotermeer en Bos en Lommer: “De woningen zijn er groot en goedkoop”, zegt Bartlema. Vooral in deze wijken heeft intensief "portiekwerk' plaats. Volgens Bartlema zijn de corporaties unaniem enthousiast. Zijn conclusie na één jaar portiekwerk: “Naarmate er minder problemen zijn op een trap, zijn de portiekgesprekken meer succesvol”.

Ook in portiek nummer 20 zijn weinig problemen. In de woonkamer van mevrouw B. kleppert de burenpraat tussen de koffie en de koekjes. “Ik zag dat boven Veendal ook weer bruinen zijn komen wonen”, zegt een donkerverbrande mevrouw in een fleurig jurkje. Sinds haar man in de WAO zit, is ze weinig meer thuis. “Zomers lekker in de caravan, en 's winters hupsakee naar Spanje. Zalig gewoon. Wat moet je nog thuis.”

“U bent toch ook Marokkaan?”, vraagt ze aan mevrouw B. Oh Turkse. Nou ja, voor haar zijn het allemaal Marokkanen hoor. Zie je ze 's ochtends met van die jurken naar de Marokkanenkerk gaan. Geen gezicht. “Weet je wat het is”, zegt de vrouw. “Je kent je buren niet meer.” De portiekwerker knikt instemmend: “Er is geen zorgzame samenleving meer”, zegt hij. Volgens hem komt dat door de individualisering. “Indi wat?”, vraagt de mevrouw, die gedachtenloos de haren van haar bouvier van haar rok afplukt. Ze kijkt de welzijnswerker onderzoekend aan: “Nou, nou. U heeft het taaltje goed geleerd zeg”.

Geërgerd trekt de welzijnswerker een dossier uit zijn koffer. Ter zake nu: “Hoe is de situatie op de trap?”, vraagt hij. De buren kijken elkaar aan. Punt voor punt neemt hij de regels door. Eén, het sluiten van de voordeur: Fietsen mogen niet door de voordeur, maar moeten door de box. De voordeur mag niet worden opengelaten, het trapportaal moet worden vrijgelaten en het is niet toegestaan het trappehuis te gebruiken voor de opslag van huisvuil. “Heeft u hierover nog iets aan mevrouw B. te vertellen?”. De buren denken na. Een mevrouw zegt dat ze geen kinderwagens in het trapportaal wil. “Mijn jongste kind is zeven”, antwoordt mevrouw B.

“Mooi zo”, vat de portiekwerker samen. Dus trapportalen en boxgangen worden vrijgelaten. En die schoenen voor uw deur, mevrouw B., dat kan dus ook niet. “In Nederland blijven schoenen niet voor deuren staan”, meent de portiekwerker. Zo gaat men hier in dit land niet met elkaar om. We vinden in Nederland dat een trap gezamenlijk is en dat schoenen binnen horen.

“Maar ik woon op de bovenste verdieping”, werpt mevrouw B. tegen.

“Laat ze maar lekker staan, hoor”, sust haar buurvrouw. “Mij stoort het niet”.

De portiekwerker is echter een andere mening toegedaan: “Over een week zet uw buurvrouw beneden ook haar spullen buiten. Een week later doet de buurvrouw daar beneden het. En wat krijgen we dan? Chaos! Dus die schoenen moeten naar binnen.”

De avond vult zich met de kleine dingen des levens. Vuilniszakken, deurklemmen en bioboxen. Een voor een worden ze behandeld. Wat moet, wat hoort en vooral wat niet mag: Het wasgoed dient bnnen het balkon te worden opgehangen. De bewoners hangen het er allemaal buiten. Mevrouw B. mag dat niet: “We hebben liever dat nieuwe mensen zich aan de regels houden”, zegt de portiekwerker. “Straks druipen haar kleren in uw koffie, en dan krijgen we problemen. Zijn er nog meer dingen die mevrouw B. moet weten?”

Met een vuurrood gezicht neemt mevrouw B. aan het eind van de avond afscheid van haar gasten. Ze had de portiekwerker beloofd dat ze een walkman zou kopen om op haar hoofddoek te zetten. Een van de buren had 'die Marokkaanse jengelmuziek' toch wel verschrikkelijk gevonden. Mevrouw B. voorzag haar buren weer met nieuwe schalen lekkers, toen haar benedenbuurvrouw vroeg wat dat gestommel toch was dat ze 's nachts soms hoorde. Lang bleef het stil. Geholpen door haar oudste dochter vond mevrouw B. de juiste woorden: Haar zoontje van zeven plaste nog in bed. De konen van haar bleke gezicht gloeiden van schaamte. “Ik wil geen problemen”, herhaalde ze. “We zijn toch allemaal mensen?”.

Een paar dagen later, een paar blokken verder. Opnieuw is er een portiekgesprek. Dit keer is de nieuwkomer een Surinaamse vrouw met een struise kleuter die alle glaswerk in het huis onveilig maakt. De portiekwerkers zijn met z'n tweeën, jongens in spijkerbroeken, geen koffers, maar oorbelletjes. Ook zij beginnen met een uitleg over doel en opzet van het portiekgesprek. Maar de mensen hier willen niet over regeltjes praten. Ze praten over lekkende kranen en verstopte wc's, kapotte ruitjes en over tralies die al zes jaar geleden door de woningbouwvereniging waren beloofd. “Toen ik hier kwam wonen zouden we dubbele ramen krijgen”, zegt een vrouw. “We zijn nu achttien jaar verder en er is nog steeds niets gebeurd. Wat doet de woningbouwvereniging daaraan?” De portiekwerkers mompelen iets over een subsidiestop en een onderzoeksbureau dat nu studeert op de vraag hoe het verder moet.

“Maar laten we het over de huisregels hebben”, proberen ze weer. “Hoe gaat het met de voordeur?” De bewoners antwoorden dat die gewoon open en dicht gaat. “En geluidsoverlast? Het is misschien een beetje schools. Maar hebt u last van mevrouw?”, informeren ze. De bewoners schudden van nee. “Echt niet?” Nee, schudden de bewoners opnieuw. “Als je naar de plee gaat, dan geniet natuurlijk het hele huis mee. Zo is het hier wel”, zegt een vrouw. “De muren zijn zo dun dat het lijkt alsof iemand het in je kamer doet”.

“Laten we het nu niet over technische kwesties hebben”, wanhopen de portiekwerkers. Maar hoe ze het ook proberen, over huisregels en nieuwkomers willen de mensen hier niet praten. “Eindelijk is er iemand van de woningbouwvereniging. Dat laten we toch niet aan onze neus voorbij gaan?”, zegt een bewoonster. De portiekwerkers moeten plechtig beloven dat ze alle klachten zullen doorgeven. Binnen een uur zijn ze weer weg. De mensen lachen: “Laat ze de boel maar lekker met hun baas gaan bespreken”, zegt de vrouw die er al achttien jaar woont. Kennismaken kan ze zelf ook wel. Ze steekt haar hand uit naar haar nieuwe buurvrouw: “Hallo, hoe gaat het met u?”