Stockhausen laat zien hoe ritme, klankkleur en harmonie ontstaan

Voorstelling: Dienstag aus Licht van K. Stockhausen met o.a. Annette Meriweather (sopraan), Julian Pike (tenor), Nicholas Isherwood (bas), Markus Stockhausen (trompet), Simon Stockhausen (synthesizer), koor Händel Collegium Keulen en studio WDR. Gehoord 25/6 Muziektheater Amsterdam.

Alles wat tot klinken komt, is een afbeelding van tijd. Muziek is de meest indringende, want de meest existentiële kunstvorm. Van een componist als Karlheinz Stockhausen kan men leren hoe de muzikale parameters met elkaar verbonden zijn, hoe uit ritme klankkleur ontstaat en uit klankkleur harmonie. Maar het belangrijkste blijft die tijdsdimensie.

Met Jahreslauf, in 1977 oorspronkelijk gecomponeerd voor een Japans Gagaku-ensemble, stelde de componist dit idee centraal. Vier tijdlagen representeren respectievelijk het jaar, het decennium, de eeuw en het millennium. Meteen begreep de componist dat met het idee van Jahreslauf veel meer mogelijk was, en zo ontstond uiteindelijk de meest gedurfde conceptie van deze eeuw: de zevendelige cyclus Licht, een opera voor elke dag van de week.

Vreemd genoeg bood het Holland Festival uitgerekend op een donderdag in het Amsterdamse Muziektheater Dienstag aus Licht (1992) in een semi-concertante uitvoering. Het publiek zat op het podium, omringd door podia met orkest- en koorgroepen, en keek in de lege zaal. Daar leek de plafondverlichting op een sterrenhemel, waaronder de twee balkons zwak oplichtende witte halve cirkels vormden.

De eerste acte van Dienstag is Jahreslauf. Dat is eigenlijk nogal vreemd, want het heeft niets te maken met het muzikaaltechnische plan waarop alle overige delen van Licht gebaseerd zijn. Trouwens, ook zag ik niet goed wat dit werk - een elegante en bijzonder stijlvolle muziek met een beeldschone solo voor piccolo door Kathinka Pasveer - in wezen met het onderwerp strijd van doen heeft, want in Dienstag regeert de oorlogsgod Mars. Stockhausen werkt het uit als een gevecht tussen Luzifer (zijn muzikale model is vooral ritmisch bepaald) en Michael (hoofdkenmerk: kleur).

De componist ziet de eerste acte als een intellectuele stilering, oorlog als spel, want pas in de tweede acte krijgt de strijd een realistisch karakter. In Explosion wordt een luchtaanval geïmiteerd door middel van acht geluidsboxen in kubusvorm, ze brengen spiraalvormige klankbewegingen, maar men moet wel zeer in deze materie geoefend zijn om ze als zodanig waar te nemen. Twee troepen musici als vreemd uitgedoste robots met luidsprekers op het lichaam vallen de zaal binnen en bevechten elkaar in de gangen tussen het publiek, waarbij de instrumenten worden gebruikt als wapens.

De Luzifergroep staat onder aanvoering van een bas met drie trombones, synthesizer en slagwerk en de Michaelgroep is samengesteld uit tenor, drie trompetten, synthesizer en slagwerk. Na de tweede invasie is er een bestand. Eva verschijnt om met de gewonde trompettist een duet te zingen (Pieta), een ontroerende scene die helaas te uitgesponnen is om voortdurend spanning te behouden. De invasies zijn veel beter van timing.

De derde invasie brengt de meeste elektronica in stelling (altijd de specialiteit bij Stockhausen) en na een drietal explosies luidt het koor het hiernamaals in. Voor dit koor, maar zeker ook voor de Friedens-Gruss voor twee koren en een instrumentaal ensemble uit de inleiding, geef ik al het overige cadeau.

Stockhausen vind ik op zijn sterkst in een zichtbare en vooral: onzichtbare koren op de band. De zeer trage pulsen in de lichamelijk nauwelijks navoelbare, uitgerekte bewegingen zijn geladen met een rijke verbeelding aan kleuren en harmonieën op basis van doorklinkende bourdontonen. Het is heel knap zoals koor en elektronische muziek synchroon verlopen. In deze produktie moet enorm veel arbeid geïnvesteerd zijn.

De sopraan Annette Meriweather heeft verhoudingsgewijs een kleine rol, maar die blijft veel meer in het geheugen dan die van de beide mannenstemmen. Bijzonder fraai vond ik in de inleiding van de eerste acte haar laatste poging om de strijdende partijen tot vrede te bewegen: “Macht Frieden” met een lange rollende r, tegen zacht zoemende koren van links en rechts.

Bizar vond ik de waanzinnige synthesizersolo van Simon Stockhausen als sf-uitsmijter. Het leek op een scène uit de Adams family: een vale belichting op een stokstijf toekijkend, in het zwart gestoken koor, opgesteld rond een krankzinnige organist die steeds wilder met het hoofd zwaait. Die groteske elementen horen nu eenmaal bij Stockhausen, maar liever concentreer ik mij op zijn boeiende uitwerking van de tijdsconceptie en vooral op zijn fantastische koren.