Natuurlijke grenzen bestaan slechts in de hoofden van mensen; Hoe ouder de stamboom des te evidenter de overlevingskracht van een ontluikende natie; De natie als familie is een fictie die vaak nog diep in ons bewustzijn sluimert

Na de drie grote schokgolven van de twintigste eeuw - de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, en de Koude Oorlog - is de nationale staat meer dan ooit de meest "harde' en legitieme entiteit in de internationale betrekkingen, alle mijmeringen over nieuwe wereldordes ten spijt.

De Eerste Wereldoorlog leidde de ondergang in van het Habsburgse en het Ottomaanse rijk, de Tweede Wereldoorlog de ondergang van de Europese koloniale rijken (tot en met het Portugese rijk in 1974), en de Koude Oorlog leidde uiteindelijk tot de ondergang van het Romanov-rijk (dat door de Communistische revolutie nieuw leven was ingeblazen).

Telkens werden deze ondergaande rijken opgevolgd door staten die hun legitimiteit trachtten te putten uit een "nationale' identiteit. De vraag hoe zo'n identiteit is samengesteld en hoe ze zich ontwikkelt, is van belang voor een goed inzicht in de logica van het moderne internationale systeem.

Kennis van de ontwikkelingsdynamiek van het nationale bewustzijn wordt des te belangrijker in een tijd van omvangrijke omwentelingen. In de grote stormen die thans in de wereld woeden (en die ook West-Europa hoe langer hoe meer raken) klampen velen zich vast aan nationale identiteit als een ersatz-anker: de drukgolven voortkomend uit de ondergang van de Sovjet-Unie en uit grote sociaal-economische verschuivingen duwen de mensen naar datgene wat ogenschijnlijk nog houvast belooft: de eigen gemeenschap.

Ironisch genoeg gebeurt dit net in een tijd waarin het onmogelijk is geworden om op dergelijke drukgolven op nationale schaal greep te krijgen. Dat geldt niet alleen voor Oosteuropese staten (die eigenlijk het liefst meteen in de Europese Gemeenschap willen opgaan), maar ook voor Westeuropese staten (die individueel min of meer machteloos staan tegenover stijgende rentevoeten of zwellende migrantenstromen).

In het debat over de Europese integratie wordt vaak gedaan alsof de bestaande nationale identiteiten voortkomen uit moeder natuur of uit de mist der tijden. Vooral jongere Europese identiteiten hebben diep in de geschiedenis gegraven om zich te legitimeren of te consolideren. De toentertijd kersverse Republiek der Zeven Verenigde Provinciën creëerde uit schrale antieke informatie de gewichtige mythe van de Bataafse stam. Ook voor andere, nog jongere Europese identiteiten (bijvoorbeeld Zwitserland, Finland, Ierland, Vlaanderen) speelden antieke of middeleeuwse mythologieën een grote rol. Hoe ouder de stamboom en hoe dieper de wortels, des te evidenter leken de aanspraken en de overlevingskracht van een ontluikende natie.

De grote politicologen van de zeventiende en de achttiende eeuw zagen zeer duidelijk dat staten sociaal geconstrueerde werkelijkheden zijn (hoe absoluut en soeverein ze deze constructie ook opvatten). Door de groei van de industriële maatschappijen en onder druk van internationale (militaire) competitie moesten hoe langer hoe meer mensen worden opgeleid en ook worden gemobiliseerd voor doeleinden en binnen staatsgrenzen die als legitiem dienden te worden ervaren. God-gegeven was niet meer overtuigend in een steeds meer geseculariseerde wereld, maar geconstrueerd was niet erg motiverend in staten die vooral in oorlog steeds meer inzet van hun bevolking gingen verlangen. Hoe groter de offers die door een gemeenschap werden gevergd, hoe natuurlijker ze moest lijken: de natie als familie, een fictie die vaak nog diep in ons bewustzijn sluimert. De nazi's, met hun genadeloze nadruk op het bloed, zijn hierin huiveringwekkend consequent geweest.

Vaak tot diep in de negentiende eeuw echter bleef de natie voor de gewone boer een vreemde, vijandige abstractie waarmee hij weinig van doen had - en dit enkel op een zeer onaangename manier, door belasting- en dienstplicht. De vertrouwde realiteit, dat was de eigen familie, de eigen streek (Heimat, pays), het eigen dialect. Het overige was vreemd, angstaanjagend, of belachelijk. Dat er een natie zou zijn, samengesteld uit miljoenen onbekenden die allen een gemeenschap of zelfs een familie zouden vormen, niets is minder natuurlijk; het is een modern idee, en het moest van bovenaf worden ingeprent.

Voor de doorsnee mens op het platteland - tot voor kort doorgaans het gros van de bevolking - betekende de natie een gigantische schaalvergroting. Voor deze schaalvergroting waren moderne middelen nodig (wegen, stoommachines, spoorwegen), middelen die wederom enorme mogelijkheden schiepen tot mobiliteit, communicatie en produktie. Deze vereisten op hun beurt een algemene, uniforme cultuur van een zeker niveau, hoog genoeg om complexe processen te omvatten - vandaar het toenemende belang van scholen en van een standaard-taal.

Taal vormt echter geen vanzelfsprekend, ook geen doorslaggevend criterium voor nationale identiteit - men denke bijvoorbeeld aan Amerikaanse of Afrikaanse naties, aan Australië of Indonesië, of binnen Europa aan Oostenrijk, Ierland of zelfs Groot-Brittannië, een natie waarvan de naam geen enkele verwijzing bevat naar een "nationale' taal. Ook waar taal thans als een vanzelfsprekende bron van nationale identiteit geldt, is ze nog niet zo lang geleden als zodanig actief bevorderd; omstreeks het midden van de vorige eeuw was de helft van Frankrijks burgers het Frans niet machtig.

Dus zelfs Europa's "klassieke' naties zijn bepaald niet zo oud of vanzelfsprekend als we vaak geneigd zijn te denken. Integendeel, naties zijn steeds gevormd, relatief recentelijk, vaak in broeikascondities. Bij minder klassieke naties is dat zeer duidelijk, omdat hun identiteit en zelfs hun taal soms bewust op maat werden gemaakt - men denke, in deze eeuw, aan het post-Ottomaanse Turkije of aan het naoorlogse Macedonië. Sommige naties zijn dus nog kunstmatiger dan andere, aangezien ze minder goed gevestigd zijn - door toedoen van hun jeugd, of door toedoen van omstandigheden. (België valt uiteen, Zwitserland niet.)

Inzicht in de manier waarop nationale identiteiten zich ontwikkelen is belangrijk, niet alleen voor een goede beoordeling van heersende realiteiten, maar ook voor een gezonde omgang met de veranderingsdruk waaraan deze realiteiten onderhevig zijn. De nationale staat is geen onveranderlijk gegeven.

Met betrekking tot conflicten in de Derde wereld of in de voormalige Sovjet-Unie wordt vaak verwezen naar het kunstmatige aspect van bestaande grenzen of entiteiten. Maar waarom zou Georgië bijvoorbeeld wel vanzelfsprekend zijn, en Ossetië niet? En waarom overleefde Indonesië (nochtens een puur kolonisatieprodukt) wel als natie, en Indochina niet?

Eigenlijk zijn alle grenzen kunstmatig, het produkt van vaak zeer toevallige historische ontwikkelingen - zie bijvoorbeeld de grens tussen Nederland en België (de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, zoals historici en taalnationalisten het soms formuleren). Ook andere Europese grenzen zijn allesbehalve vanzelfsprekend. De Rhône, vandaag Frankrijks centrale as, had net zo goed een natuurlijke grens kunnen zijn, suggereerde Fernand Braudel op basis van solide historische kennis.

Zelfs de insulaire grenzen van Groot-Brittannië zijn geenszins natuurlijk; Engeland heeft eeuwenlang vaste voet gehad op het continent (de grootste Bordeaux-kenners zijn nog steeds Engels), Schots autonomie-verlangen is niet onbeduidend, en de grens met Ierland wordt nu nog bijna dagelijks gewelddadig ter discussie gesteld.

Natuurlijke of vanzelfsprekende grenzen bestaan slechts in de hoofden van de mensen. Hoe ze zich daar als zodanig hebben kunnen vastleggen, en waarom andere grenzen daar niet in zijn geslaagd en artificieel lijken, dat is een belangrijke en actuele vraag. Het antwoord is nooit vanzelfsprekend, ook niet hier in West-Europa: alle nationale staten zijn artificieel.