Het dwarse gelijk van Hans Gualthérie van Weezel; "Als ik morgen een eigen partij opricht, krijgt het CDA geduchte concurrentie'

Het CDA-Tweede Kamerlid Hans Gualthérie van Weezel houdt het na vijftien jaar voor gezien. De man die zich nimmer diplomatiek uitliet, keert terug naar de diplomatieke dienst. Hij was ongeclausuleerd voor het plaatsen van kruisraketten, voor de legitimatieplicht en tegen een liberaler drugsbeleid. Voor hem gold de wet van Vredeling: als ze me een borrel verbieden, neem ik er twee. Den Haag telt sinds deze week weer een kleurrijk Kamerlid minder.

Soms wil de Haagse politiek nog wel eens een onvergetelijke foto opleveren. Die van een maand of twee geleden was er zo één. Het was op het eerste gezicht het vertrouwde beeld van een kluwen "Binnenhof-toeristen', zich verdringend om de radio- en televisieverslaggevers die vice-premier Kok het laatste nieuws over het net afgesloten kabinetsberaad proberen te ontfutselen. Veel interessanter echter was de passant, rechts op de foto. In een vooral gekreukelde regenjas, half gezeten op zijn fiets - een voet aan de grond, een voet op de trapper - sloeg hij het geheel met enigszins verwarde blik gade. ""Het CDA-Kamerlid Gualthérie van Weezel probeert vanaf zijn fiets mee te luisteren'', meldde het onderschrift bij de foto.

Fiets, regenjas, zeemanspas, verstrooidheid, onconventionele uitspraken en een lach die overgaat in een lange giechel. Het zijn de kenmerken van Hans Gualthérie van Weezel, sinds 1977 lid van de Tweede Kamer voor het CDA en binnenkort in dienst van het ministerie van buitenlandse zaken als permanent vertegenwoordiger te Straatsburg. Deze week was zijn laatste in de Tweede Kamer, die eigenlijk zijn Tweede Kamer al lang niet meer is. De technocraten en grijze muizen zijn opgerukt ten koste van de "characters'. In zijn afscheidsbrief die Kamervoorzitter Deetman eergisteren voorlas, zegt Gualthérie van Weezel: ""Wat het parlement veeleer bedreigt zijn begrippen als verambtelijking en technocratie. Ik gruwel daarvan!''

Torentjes-overleg, fractiediscipline, onaantastbare regeerakkoorden; Gualthérie van Weezel heeft Den Haag onder leiding van "pappie Lubbers' en de toenmalige partijvoorzitter Bukman (""Ik denk steeds meer dat de heer Bukman in een vorig leven sergeant-majoor is geweest in het Engelse koloniale leger'') zien veranderen. Goed voor de eenheid, maar slecht voor het zelfstandig denken.

Rustig afscheid genomen heeft hij niet. Tot het laatste moment was Gualthérie van Weezel zeer nadrukkelijk aanwezig in 's lands vergaderzaal. De parlementaire goedkeuring van het verdrag van Schengen wist hij op het laatste moment toch nog een dag op te houden, omdat het kabinet volgens hem met onvoldoende toezeggingen was gekomen. Meer marechaussees eiste hij namens zijn CDA, of was het zijn CDA namens hem? En de week was toch al zo turbulent begonnen. De Italiaanse ambassadeur in Den Haag, Pietromarchi, had zijn uitspraken van vorige week in het Schengen-debat ""zeer beledigend'' genoemd. Gualthérie van Weezel had zich bij die gelegenheid bezorgd getoond over de georganiseerde misdaad in Italië en zei aan ""die Italiaanse import'' geen enkele behoefte te hebben. Hij vreesde ""via onze Italiaanse vrienden toch heel merkwaardige dingen in huis te kunnen krijgen''. In een protestbrief verweet de Italiaanse ambassadeur Gualthérie van Weezel ""bekrompenheid en weinig kennis van zaken over de werkelijke achtergronden van het mafiaprobleem''.

Een heuse diplomatieke rel? Dat moet de aanstaande vertegenwoordiger van Nederland in Straatsburg niet hebben. Maar zijn woorden afzwakken of nuanceren, daar is Gualthérie van Weezel nu net de persoon niet voor. ""Ik heb alleen gezegd dat ik over het Italië van vandaag de dag niet zo enthousiast ben. Daar is de staat zover teruggedongen dat inmiddels in grote delen van Italië niet de staat maar de mafia het voor het zeggen heeft. Ik vind het heel erg wat daar gebeurt. Rechters moeten er nu al jarenlang in gepantserde auto's rondrijden, ondergedoken zitten, hebben geen vrijheid van beweging. Dat is een staat waarvan ik niet hoop dat het ooit zover in Nederland komt.''

""Echt walgelijk'' noemde hij vorige week in de Tweede Kamer de situatie in Italië. ""Ja'', zegt Gualthérie van Weezel nu in een verderop gelegen etablissement. ""Dat vind ik. Niet voor niets wordt er gezegd dat de EG bestaat uit dertien lidstaten. De twaalf EG-landen en de mafia.''

Blonde Dolly

Een paljas, een ongeleid projectiel, een eeuwige student? Het is allemaal een beetje waar. Het heeft Gualthérie van Weezel gemaakt tot in elk geval, zoals dat dan heet, een eigenzinnig Kamerlid. Zoon van de legendarische Haagse hoofdcommissaris van politie Jan (Hak) Gualthérie van Weezel. Heeft uit de overlevering een vermoeden wie in 1959 de Haagse prostituée Blonde Dolly vermoordde. ""Het eigen onderzoek van mijn vader en dat van de recherche wees naar twee verschillende daders. Beiden kwamen uit de hogere kringen. Mijn vader zei tegen mij: je kent ze allebei.''

Conservatief ook. ""Zo rechts als een deur'', werd hij wel genoemd. Hij heeft er nooit mee gezeten. Heldere standpunten, daar hebben de mensen behoefte aan is zijn overtuiging. ""Ik ben laatst gehuldigd bij het programma "Spijkers met koppen' van de Vara. Niet omdat ze het met mij eens waren, maar wel omdat ze begrepen dat ik het meende.''

Wat er leefde onder "de mensen in het land' haalde hij van de straat.

Gualthérie van Weezel: ""Dat zal ik straks missen als ik niet meer in de politiek zit. Het vele contact met mensen, bijvoorbeeld door in een trein te zitten en met de conducteur te praten. Of met de fietsenmaker. Joop de fietsenmaker van het ministerie van financiën, daar heb ik ook veel mee gesproken. Ik heb vaak een lekke band en breng mijn fiets dan naar hem toe en maak dan een praatje. Zo spreek ik ook veel met de bodes die in de Kamer werken. Ik weet wat die mensen voelen en denken. Als je je inspiratie in het bijzonder ontleent aan de kleine intellectuele centra waar altijd dezelfde mensen het woord voeren, de incrowd, dan is er tussen de politici en de achterban een enorm verschil. Mijn ervaring is dat de gemiddelde man verduiveld goed in de gaten heeft wat er speelt. En er zit bij de mensen een veel meer gevestigd beeld dan de meesten hier in het parlement denken. Dat heb ik ervaren met mijn herhaalde pleidooien voor een legitimatieplicht. Toen heb ik zoveel adhesie ontvangen! De intellectuele elitie verzet zich ertegen, terwijl de man in de straat het wil. Ik heb tegen fractievoorzitter Brinkman gezegd: als ik morgen een eigen partij opricht, krijgt het CDA geduchte concurrentie.''

Politici die niet meer namens hun achterban spreken, dat is wat hem de meeste zorgen baart. ""Het parlement is aan het verzwakken, er is vervreemding. Dat zie je in heel Europa. Alleen in Engeland wellicht wat minder, waar één partij regeert en er publiek debat is. Maar de uitslag van het Deense referendum is een signaal. Het zit veel dieper. Je merkt dat er nu ook in Nederland een toenemende discussie is over referenda. En waarom? Omdat de bevolking zich gewoon zelf wil uitspreken. Ze zeggen: wij zijn mondig genoeg om zelf een oordeel te geven en niet via een parlement dat we onvoldoende herkennen.''

Beernink, Udink, de freule

Zelf afkomstig van de kleine Christelijk Historische Unie, de partij die later werd opgenomen in het grote CDA, heeft Gualthérie van Weezel de teloorgang van de parlementariër als individu aan den lijve meegemaakt. De tijd van toen moet natuurlijk niet geïdealiseerd worden, maar toch. ""Een grotere partij is per definitie onpersoonlijker. In de CHU kende je het hele bestuur. Als je nu naar een grote bijeenkomst van het CDA gaat, zitten daar ineens weer drie nieuwe gezichten achter de bestuurstafel. Zeer veel wisselende mensen spreken zich uit over heel gewichtige zaken zoals het vaststellen van de kandidatenlijsten voor de Tweede Kamerverkiezingen. Juist in een kleinere partij is veel zichtbaarder wat een man wel of niet doet, of hij bijvoorbeeld wel naar zijn spreekbeurten gaat. Het is een groot verschil tussen de CHU en het CDA. In de CHU had bij de kandidaatstelling de achterban het laatste woord, in het CDA de leiding. Als in het CDA de leiding een lijst met een bepaalde nummering heeft opgesteld is die bijna niet te doorbreken.''

De CHU, ach ja. Partij van Beernink, Udink, de freule. ""Die partij had ook zijn beperkingen maar wat mij altijd erg heeft aangetrokken: het was een unie, dus voor elck wat wils. Iedereen kwam uitstekend aan bod. Men had zijn eigen achterban dus er was enorme vrijheid. Toen ik in 1977 in de Kamer kwam voor de CHU die toen opging in het CDA is er nog een heel gedoe geweest dat ik schriftelijke vragen eerst door de fractievoorzitter moest laten tekenen. Bij de CHU was dat onbestaanbaar. Een CHU-Kamerlid diende ze rechtstreeks bij de griffie in. Zonder last of ruggespraak, naar eer en geweten.''

Vandaar ook zijn bewondering voor de fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer, Ad Kaland, ook CHU. De man die, hoewel lid van een regeringspartij, het afgelopen vergaderseizoen het kabinet telkens weer hinderlijk voor de voeten wist te lopen. ""Die stijl van hem is typisch CHU. Hij is het symbool geworden van iemand waarmee je je kan identificeren. Ik heb genoten van de Kaland-show, ik heb er naar gekeken en ik zag het gebeuren. Ad Kaland moet zich wel gelukkig hebben gevoeld dat iemand van die leeftijd nog zoveel invloed heeft. Wat dat betreft vind ik Kaland een verrijking van de democratie.

Het vak leerde hij onder andere van CHU-voorman Kruisinga. ""Misschien de enige echte politicus die de CHU ooit gehad heeft, want het waren nooit zulke politieke mensen. Mensen als Van Verschuer, dat waren geen politici, dat waren liefhebbers. Het is een meesterzet van Kruisinga geweest in 1973 niet tot het kabinet Den Uyl toe te treden, maar in de oppositie te gaan. In de polls ging heel protestants-christelijk Nederland naar de CHU. Hij heeft die winst in 1977 weten te verzilveren toen de eerste gemeenschappelijke lijst moest worden samengesteld. Zijn voorwaarde was toen dat bij de eerste 48 plaatsen 12 CHU-ers zouden zitten.

""Een CHU-man weet wat het is om klein te zijn, en ook wat het is om geen macht te hebben. Wanneer men zegt dat de christen-democraten altijd aan de macht hebben gezeten, dan heeft men het over onze katholieke vrinden, maar niet over de CHU. Een CH-man weet heel goed wat het is om zonder ministers in het kabinet of organisaties achter je, in zo'n Tweede Kamer een beetje rond te lopen. Oppsitie voeren in de wetenschap dat je geen grote invloed hebt op het gebeuren.''

En, is dat een heilzame ervaring?

""Voor elke partij is het goed om eens in de oppositie te zitten. Goed voor de sanering van de eigen gedachten en goed voor het publiek dat beter kan kiezen. Maar je verliest natuurlijk wel belangrijke posities, want je bent je invloed op het benoemingenbeleid kwijt.''

Is de benoeming tot permanent vertegenwoordiger in Straatsburg ook aan de partij te danken?

""Bepaalde dingen kan je beter in eigen hand nemen. Met de benoeming die ik nu heb gekregen heeft mijn partij niets te maken. Als je trouwens ziet hoeveel moeite het collega's kost een functie als burgemeester te krijgen, dan is dat nog geenszins altijd een gelopen zaak. Daar gaan heel wat sollicitaties aan vooraf. Benoemingscommissies hebben altijd het meeste vertrouwen in de mensen die men niet kent of de mensen die geen standpunt hebben. Dat is echt de ideale categorie. Hoe onbekender de figuur hoe beminder hij is. Stel je voor dat ik zou gaan solliciteren in plaatsen waar bepaalde groepingen het sterk voor het zeggen hebben. Ik zou me verbazen als ze mij daar met open armen zouden ontvangen op basis van standpunten die ze van mij in de krant hebben gelezen.''

Het is voor Gualthérie van Weezel weer een reden om zijn afgrijzen uit te spreken over het rapport van ""de heer J. de Koning'' waarin staat hoe CDA-Kamerleden zouden moeten functioneren. Met als afschrikwekkende aanbeveling dat een Kamerlid ten hoogste drie termijnen zou mogen zitten. ""Een voorstel om de partij op termijn om zeep te helpen'', aldus Gualthérie van Weezel. ""Als één onderwerp zich niet leent voor management is dat wel de politiek. De invloed van de partij wordt steeds groter en het enige waar het toe leidt is vergrijzing. Zolang je niet in opspraak komt, zit je goed.''

Dat brengt het gesprek op de vraag wat een goed politicus is. In elk geval is het ""een vak''. En je moet het ook nog ""in de vingers hebben''. Gualthérie van Weezel: ""Van der Klaauw was een goed diplomaat, maar een slecht politicus. Hetzelfde geldt voor Van Eekelen: een goed diplomaat, maar een slecht politicus. Het is echt een vak en niet iedereen leert dat.''

Zijn grote voorbeeld is altijd de anti-revolutionair Schakel geweest. ""Het knappe van hem was dat je hem nooit zag, maar als het niet goed ging was hij er altijd.'' Een goed politicus moet volgens Gualthérie van Weezel ook leiding durven geven. ""Bij de kruisrakettendiscussie heb ik gezien dat de politiek geen leiding durfde te nemen. Ik weet nog dat mijn collega's De Boer en Frinking toen een memorandum schreven waarin stond dat de publieke opinie niet zou accepteren dat die dingen geplaatst werden. Maar dat is een foute volgorde. Je moet de publieke opinie zelf creëren, door te zeggen: mensen er moet geplaatst worden of niet geplaatst worden. Nu was de discssie alleen maar in handen van mensen die vonden dat er niet geplaatst moest worden.

""Ik kreeg uit de fractie wel eens vragen of ik ook was gebeld door mensen als Faber of Strikwerda. Dan zei ik: wat merkwaardig ik word nooit door die mensen gebeld. Maar de mensen die veel werden opgebeld lieten zich dan weer wat opsturen. Dat zijn de slappe knieën. Ja, die hebben toen natuurlijk een moeilijke tijd gehad. Met de kruisvluchtwapens heb ik het vanaf het begin makkelijk gehad. Dat wil zeggen, toen heb ik het vak geleerd.

""Je moet op een gegeven moment aan de bevolking kunnen uitleggen waarom iets moet gebeuren. Dat zie je ook met de discussies over de basisvorming. Mij ontbrak de intelligentie om dat te volgen, dus ben ik er ook maar mee opgehouden. Op een gegeven moment heb ik in de fractie gezegd: ik heb maar één vraag: hebben we over tien jaar nog loodgieters? Dat is natuurlijk wel waar het om gaat in de politiek. Maar dan is de politiek inmiddels zo ver dat men je aankijkt en zegt die man is knetter!''

En dan zit je opeens enigszins verloren in zo'n fractie?

""Ja, want het betekent dat men heeft opgegeven om er over na te denken. Dat zag je ook met het Plan Simons, dat op een gegeven moment in zoveel gremia's besproken en geamendeerd was dat er in de fractie niet meer over de grote lijnen werd nagedacht.''

Maar U kan op een spreekbeurt over het Plan Simons worden aangesproken.

""Ja, maar als dat gebeurt geef ik altijd het telefoonnummer van collega Lansink.''

Dat is een zwaktebod.

""Ja, dat is het probleem. Als ik een Engels parlementslid zou zijn, had ik dat plan moeten uitleggen aan mijn district en zou ik niet kunnen verwijzen naar collega Lansink. Maar hoe gaat het? Het Plan Dekker wordt het Plan Simons, het wordt in kleine kring voorbereid door de betrokken ministers en de betrokken woordvoerders. De ministers committeren zich in de ministerraad waar tegen de collega's wordt gezegd dat het zoveel moeite heeft gekost, en de fractie committeert zich om dezelfde reden. Tsja, en zo krijg je toch een verschraling van het gebeuren.''

Maar U hebt toch ook wel meegedaan aan al het informele overleg?

""Ik heb ook wel overleg in het Torentje met de premier gevoerd. Maar dat was als er posities van individuele bewindslieden in het geding waren. Dan kan ik me er ook wel iets bij voorstellen. Maar door het vele overleg dat je met elkaar hebt, kan het beeld totaal vertroebelen. Je kan niet ergens meer fris tegenaan kijken.

""Wat het CDA bedreigt is dat èn de lijsttrekker, èn de minister president èn de initiator van het debat allemaal dezelfde persoon zijn. In een pluralistische partij als het CDA moeten er ook mogelijkheden voor anderen zijn en niet te krampachtig gereageerd worden op geluiden die afwijken van wat de minister president zegt. Met mijn opmerkingen over de legitimatieplicht week ik af van de minister-president en het torentjesoverleg. Hoeveel mensen hebben er niet tegen mij gezegd: hoe is het mogelijk dat je zo over je baas durft te spreken. Dan zeg ik altijd: Maar u begrijpt niets van de democratie. Mijnheer Lubbers is niet mijn baas.''

En nu heeft diezelfde Lubbers ook al weer zijn opvolger aangewezen.

""Het is gracieuzer wanneer dat primair aan een partijraad wordt overgelaten. Ik vraag me af of Brinkman zelf er zo gelukkig mee is. Het is veel eervoller je eigen plaats te bevechten dan die van een ander te krijgen.''

Wordt Brinkman een andere premier dan Lubbers?

""O ja, daarvan ben ik overtuigd. Hij wordt een echte primus inter pares. Brinkman is geen workaholic. Hij houdt ook van de kwaliteit van het leven. De man heeft humor en humor betekent kunnen relativeren. De ministerraad zal zeker meer body krijgen.''

Wie moet zijn vice-premier worden?

""Ik hoop Wiegel. De toekomst van het CDA ligt naar mijn bescheiden oordeel toch meer in conservatieve richting. Een degelijke partij, met een sterk gevoel voor traditionele waarden. Het klinkt missschien tuttig, maar daar houdt men van. En laat die modieuze onderwerpen dan maar over aan de liberalen. Laat die zich maar uitvoerig druk maken over reageerbuisbaby's en wat dies meer zij. Kijk, dat is toch een interessante ontwikkeling in Europa waar zich het driestromenland kristalliseert. Je hebt de socialisten, een kleine liberale middengroepering en een christen-democratisch blok. In het ene land heet dat christen-democratie, maar in Engeland heten ze de Conservatieven. Daar doet mijn eigen partij nogal krampachtig over, maar een feit is dat mijnheer Van Velzen en mijnheer Lubbers akkoord zijn gegaan met een christen-democratische fractie in het Europees Parlement waar ook de conservatieven in zitten. Het is gewoon een kwestie van tijd. Maar wat ik voor toekomst voor het CDA zie is een partij met traditionele waarden waarbij plaats is voor de hardwerkende arbeider die rust wil en veiligheid op straat, die niet wil dat zijn kinderen aan de drugs gaan, en een eerlijke boterham verdient.''

Het zijn sentimenten die nog steeds niet overal in het CDA gemeengoed zijn. De Amsterdamse afdeling van het CDA probeerde Gualthérie van Weezel wegens zijn denkbeelden over het drugsbeleid van de kandidatenlijst af te duwen. De brief waarin dit voornemen met argumenten omkleed werd aangekondigd, kreeg het omstreden Kamerlid in handen waarna hij kopieën van de brief naar alle kiesverenigingen stuurde. Het resultaat: de positie van Gualthérie van Weezel werd verstevigd. ""Ja, de achterban van het CDA staat wat dichter bij mij dan de zienswijze van het CDA Amsterdam. Ik wist dat ik op dat moment politiek zwak stond en de enige wijze voor mij om te overleven was de achterban, daar heb ik toen veel in geïnvesteerd. Wanneer je geen regionaal kandidaat bent, en je bent niet door de vrouwenraad daar neergezet of de jongeren, de minderheden, de landbouw of het radiowezen, dan zit je hier in Den Haag als mijnheer Van Weezel en dan moet je toch je eigen achterban creëren. Dat heb ik gedaan.''

Hoe is het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer bevallen?

""Je ziet de collega's niet meer. Wat ik ontzettend leuk vond van het oude gebouw was dat je als partijen kris kras door elkaar heen zat. Ik zat op de gang met iemand van de PPR, de VVD en de PvdA. Je stond met elkaar in de lift en dus zodoende hoorde je ook nog vrij goed wat er in andere partijen gaande was. Onze vroegere fractiekamer lag in de buurt van die van de PvdA. Bij de PvdA mocht niet gerookt worden en dan zorgde ik er altijd voor dat tegen de tijd dat de rokers op de gang stonden ik ook naar buiten ging. Dan maakte je eens even een praatje of ging samen een plasje doen, nou dan dan was je vrij goed op de hoogte van de voortgang van de besluitvorming in de PvdA. Nu zitten de partijen apart en kom ik ook alleen nog maar CDA-mensen tegen.''

En de nieuwe vergaderzaal zelf?

""Hij is ontworpen voor te grote debatten. Je mist de sfeer en de spanning. Met de nieuwe zaal is het weer wat grijzer geworden, wat onaanspreekbaarder. Maar misschien moet alles zijn tijd hebben.'' En dreigend mompelt hij: ""Daarom hoort u mij niet zeggen dat ik nooit zal terugkomen.''