Half hard

Toen ik twee weken geleden in Ierland was kocht ik, behalve een zonderlinge Ierse acanthus, een andere plant die ook weer niets dan hartzeer belooft. Wanneer je een kwekerij binnengaat en vraagt om ""iets exotisch dat ze in Holland niet hebben'', dan leidt dat, als je de juiste soort kweker voor je hebt, tot buitengewoon interessante verrassingen; als ik alles gekocht had wat hij tevoorschijn toverde zou ik het grootste deel van mijn tuin overhoop hebben moeten halen. Maar een zekere mate van strengheid prevaleerde en ik vertrok met maar drie planten; een daarvan luistert naar de naam Lobelia tupa; niets ter wereld dat minder lijkt op wat je van een lobelia verwacht.

Zij is al flink groot (en zal een formaat van 1 meter 50 bereiken volgens de boeken); zij heeft lange saliegroene bladeren en krijgt, zo beloofde de kweker, onvoorstelbaar mooie donkerrode bloemen. Zon en beschutting zei hij dat zij nodig had, en hij was er zeker van dat ik deze plant in Holland niet zou vinden. Sinds ik weer thuis ben en over haar heb gelezen ben ik er ook zeker van en wel om een eenvoudige reden: zij wordt beschreven als "half winterhard'. Ik weet niet bij hoeveel graden vorst het begrip "half' precies van kracht wordt, maar op een of andere manier klinkt het niet of het past bij een Hollandse winter. In Amerika gedijt deze lobelia in "zones 8 en 9', d.w.z. van Noord Carolina tot Californië via Florida en Texas, allemaal nogal ver van Zuid-Holland (en van Co. Dublin, zou je zeggen).

Moet ik haar uitgraven voor de winter? En wat zal ik dan met haar doen? Waarom heb ik haar in vredesnaam gekocht? Had ik een plant nodig welker ""stout erect darkling stems have at their apices tapering spikes of strangely shaped flowers'' (G.S. Thomas), hoe fascinerend dat ook mag klinken? (Van die "onvoorstelbaar mooie' bloemen kan ik mij inderdaad geen voorstelling maken: ik heb er nergens een afbeelding van kunnen vinden.) Kortom, niets dan soesah in het verschiet. Als ik naar de border kijk waar zij nu in staat zal ik alleen maar haar zien en beven voor haar toekomst; volgend jaar, als zij in haar koude Hollandse graf ligt, zal ik rouwen om het verlies.

Waarom mij dan niet gehouden (zoals L. zou zeggen) aan oprechte Hollandse planten met oprechte Hollandse namen, die alles aankunnen wat de winter op hun weg gooit? Waarom wil een mens altijd meer? Tuinieren maakt je tot een ontevredene, immer op zoek naar iets dat anders is, worstelend om planten te laten groeien in klimaten die ongeschikt voor ze zijn, mislukkelingen vertroetelend en geen aandacht schenkend aan planten die het goed doen. Meermalen per dag fladder ik langs mijn twee weelderig florerende New Dawns, met het hart vol klaagzang op weg naar de zwartgeworden knoppen van de Königin von Dänemarck; de miljoenen bloemen van de lavatera keur ik geen blik waardig, verblind door zorg over het geheimzinnige katzwijm van de Astrantia maxima aan haar voet.

Net als patiënten op dezelfde afdeling in een ziekenhuis lijden tuiniers aan de dwangmatige behoefte elkaar over hun ziektes te vertellen; en er is ook geen twijfel dat daar veel meer over is te zeggen dan over een tuin zonder kwalen. Tijdens zo'n discussie vroeg een vriendin van mij zich onlangs af hoeveel kansen je een plant in je tuin kunt geven voor je de handdoek in de ring werpt. Twee keer, dacht zij; als hij het de tweede keer ook niet haalt moet je het voor gezien houden. Maar het blijft altijd wijsheid achteraf, het is wat je denkt als het zes keer mis gaat maar als het de zesde keer is gelukt zeg je: zie je wel. Ik kocht twee exemplaren van Ligularia przewalskii "The Rocket', waarvan de ene bijna onmiddellijk de laatste adem uitblies. Maar de andere schoot omhoog, inderdaad als een raket, en doet het uitmuntend. Hetgeen des te opmerkelijker is waar later bleek dat die plek volgens de boeken volkomen ongeschikt is.

Beverley Nichols, een schrijver die soms heel goed over tuinieren kon schrijven, had iets met alstroemeria's. Bij hem wilden ze niet groeien. ""Ze hebben de pest aan kalk.'' Dus kregen ze geen grein kalk. Maar het was niet aan kalk, dat ze de pest hadden, het was aan mij (...) ""Ze gedijen het best in halfschaduw.'' Die kregen ze, maar groeien deden ze niet; mijn eigen schaduw was over hen gevallen. In wanhoop kocht ik ze in potten, en plantte ze in de kracht van hun leven... Maar ze gingen dood en kwamen niet meer op. ""De dood'', zeiden ze klaarblijkelijk tot zichzelf, ""is te verkiezen boven dat gezicht weer te moeten zien.'' (Die tuin waar de alstroemeria's in omkwamen komt ook voor in de correspondentie van Evelyn Waugh. ""Denk aan de befaamde cottage van Mr Beverley Nichols,'' schreef hij in een brief aan zijn vrouw, ""en koop het tegengestelde.'')

De planten van Margery Fish sprongen door haar tuin als paarden over een schaakbord tot ze de juiste plek voor ze had gevonden; het geeft een idee van haar experimenteerlust dat dit soms een heel ander soort plek was dan zij hadden in de tuin waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Ik heb dat ook eens geprobeerd, met een Gentiana sino-ornata. Meegesleept door Robin Lane Fox's enthousiasme voor gentianen kocht ik er een, plantte haar in een zee van turfmolm en moest in de zomer machteloos toezien hoe zij langzaam wegteerde. Het jaar daarop kocht ik er nog een en plantte haar, heel slim dacht ik zelf, in een pot, zodat ik er zeker van kon zijn dat ze voldoende water zou krijgen. Zij volgde het voorbeeld van de eerste en toen besloot ik inderdaad dat het genoeg was; geen plant verdient twee keer zo'n dood te sterven.

Als ik naar de autoriteiten geluisterd had zou ik het nooit geprobeerd hebben, maar dan zou ik ook nooit zijn begonnen met een Ceratostigma willmottianum. Die heeft officieel een werkelijk droge en zonnige plaats nodig; de plek waar zij staat is inderdaad droog, maar zij krijgt nog geen vier uur zon per dag. In tegenstelling tot alle verwachtingen, ook de mijne, bloeit ze er lustig op los. Elke tuin is als een theater waarin steeds opnieuw hetzelfde stuk wordt opgevoerd; met iedere plant die we in de grond zetten herhalen we de geschiedenis van het tuinieren en brengen die misschien zelfs een stapje verder. Als Miss Willmott er niet in geslaagd was twee plantjes te kweken uit het zaad dat Wilson uit China had meegebracht zou de Ceratostigma nu misschien niet over de wereld verbreid zijn (volgens Robin Lane Fox is de vallei waaruit ze afkomstig waren nooit meer teruggevonden). Als tuiniers niet zo halsstarrig waren zouden onze tuinen er saai uitzien. Of dat een rechtvaardiging is voor het folteren van een onschuldige Ierse lobelia is niet zeker.