Gevolgen van het Verdrag van Schengen

De Uitvoeringsovereenkomst van het Verdrag van Schengen treedt in werking wanneer de vijf oorspronkelijke Schengenstaten (Benelux, Duitsland en Frankrijk) het verdrag hebben goedgekeurd. Streefdatum is 1 januari 1993.

De belangrijkste gevolgen zijn: Burgers van de aangesloten landen (de Benelux, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal) en zogeheten "derde-landers' mogen vrij reizen in het hele Schengengebied. Controle op bagage blijft overigens "voorshands' gehandhaafd. Om de gevolgen van de afschaffing van controles aan de binnengrenzen te compenseren zijn onder meer de volgende maatregelen genomen:

Een gelijkwaardig niveau van bewaking van de buitengrenzen van het Schengenterritoir. Dat wil zeggen uniforme personen controle gericht op vreemdelingen, opsporing van strafbare feiten en naleving van andere wetten in de aangesloten staten. In het gemeenschappelijk opsporingsregister (SIS) staan alle mensen die in een der Schengenlanden worden gezocht of persona non grata zijn.

Streven naar een gemeenschappelijk visumbeleid met een visumsticker dat voor alle Schengenpartners gelijk is.

Strafbaarstelling van vervoerders die geweigerde vreemdelingen het gebied binnenbrengen.

Streven naar een uniformering van het asielbeleid. Daarbij kunnen asielzoekers nog maar in één van de aangesloten staten terecht, maar dat land moet vervolgens wel het verzoek behandelen. Intensivering van de samenwerking tussen politie en Justitie in de betrokken staten met de mogelijkheid van grensoverschrijdende achtervolging. De geschatte kosten bedragen 120 miljoen gulden per jaar.