Geld en poëzie

Het komt niet veel voor dat in een Nederlands restaurant een klant na zijn eerste hap de bediening roept, boos op zijn bord wijst waarna de ober het geleverde meeneemt en terugkomt met de gerant die bloost en buigt en beterschap belooft en de daad bij het woord voegt. Ik heb hier al eens het verhaal verteld van het Huis der Kromgetrokken Karbonades. Het was daar voor de koks een sport, te zien hoe ver ze konden gaan met het verkolen van het vlees voor er geprotesteerd werd. Op den duur hebben de koks het opgegeven. Dat restaurant is kort daarna gesloten, niet omdat de klandizie wegbleef. De eigenaar had zijn schapen op het droge.

Als er iets wordt opgediend dat werkelijk niet te eten is, zie je meestal het volgende gebeuren. Het gezelschap aan de tafel gaat in overleg. De aanvalslustigste fijnproever neemt een dreigende houding aan, niet tegen de vertegenwoordiger van het restaurant, maar tegen wie er met hem aan de dis zitten. Die proberen hem ervan te weerhouden datgene te doen waar hij toch al weinig zin in had: protest, verzet. Doe dat nou niet Pap; die ober kan het ook niet helpen. Zo'n aardige man. Hij laat zich overhalen. Om de ober niet te verontrusten zitten ze op een ons gebakken gummi te kauwen.

Niet bekend

Sinds Albert Heyn ons in contact heeft gebracht met de sherry en de Franse kazen, zie je in de betere restaurants steeds meer wijnspoelers, de mensen die proeven, de wijn ""over de tong laten rollen'' en dan ja knikken of een heel enkele keer nee schudden. Daarover zijn al genoeg grapjes gemaakt. Tegen wat vloeibaar is staan we kritischer dan jegens het vaste voedsel, maar over het algemeen geldt de wet: consensus gaat boven tafelgenot. De diepste oorzaak daarvan is volgens mij de tweeslachtige verhouding tot het geld.

Het beroep van een van mijn grootvaders bracht met zich mee dat hij altijd moest afdingen. Als jongen ging ik met hem mee naar de markt. Hij was een kleine man met een grote neus en een flinke snor en op de markt droeg hij een gleufhoed en een stofjas. Toen wist ik nog niet wat het woord tarten betekent. Later heb ik gedacht dat er iets tartends in zijn verschijning zat. Hij kocht koeien. ""Wat zullen we vandaag doen?'', vroeg hij. ""Kopen we de beesten op de schaal of in de roes?''

""In de roes opa.''

De boeren hadden de gewoonte, een koe voor de dag van de verkoop het sappigste weiland in te sturen. Het dier vulde zich met gras en dat telde natuurlijk mee in het gewicht. Wie de koe op de weegschaal kocht, betaalde dus ook het gras. In de roes kopen betekende: op het oog, zonder de hulp van meetmiddelen. Vandaar dat er moest worden afgedongen, en afdingen is een geoorloofde krachtmeting; het tegendeel van consensus.

Na de koop tracteerden we ons in een van de tientallen cafés rondom de markt op een glaasje knalvo en hij zichzelf op een sigaar. Ik stond daar dichter bij de klompen dan bij de hoofden van de klandizie; tevreden en behagelijk deelde ik in de overwinning van mijn opa.

Geld verdienen gaat boven het kweken van consensus. Het verdienen van zoveel mogelijk geld, door eigen werk, op een eerlijke manier, is een pleziertje. Daartegenover staat het geld verliezen door eigen schuld: een oorzaak van gewetenswroeging die je humeur bederft. Een belangrijke oorzaak van verlies is weer het streven naar de consensus die ik aan het begin in een voorbeeld heb beschreven. Het is namelijk een pseudo-consensus waarbij de wederpartij op twee manieren in zijn vuistje lacht. Ten eerste triomfantelijk omdat hij meer geld in het laatje krijgt dan een rechtvaardige winstneming toestaat; ten tweede honend omdat hij u op zo'n snuggere manier tot het onnozele slachtoffer heeft gemaakt.

Daarom - het is niet noodzakelijk maar zeer wel mogelijk - kan het hebben van veel geld en een goed humeur wijzen op de zorgvuldigste levenswandel. Een slecht humeur sluit het hebben van veel geld niet uit. Gierigaards, vrekken zijn in wezen weinig ondernemende mensen die niet zozeer plannen hebben om er nog een centje bij te verdienen als wel steeds in angst leven dat ze een centje zullen verliezen. Beschouw iemand die veel geld heeft, of niet weinig geld, nooit voetstoots als een vrek.

Zelfs wil ik er nog dit van zeggen: geld en poëzie sluiten elkaar geenszins uit.

Een paar weken geleden was het televisieprogramma Diogenes gewijd aan de Arabieren in Spanje. Ze worden daar nog Moren genoemd. Een oude Spanjaard werd gevraagd een kenschets van de vreemdelingen te geven.

Hij zei: ""De Moor luistert graag naar de stem van de vrouw die hij liefheeft, het geklater van een fontein en het gerinkel van goudstukken.''