FRANSE REDDERS VAN HET OUDE ROME

The Eagle and the Spade. The Archeology of Rome during the Napoleonic Era 1809-1814 door Ronald T. Ridley 328 blz., geïll., Cambridge University Press 1992, f 182,50 (geb.) ISBN 0 521 40191 7

In 1810 bracht de Italiaan Antonio Canova, één van de vermaardste beeldhouwers van zijn tijd, een ontbijtbezoek aan Napoleon. Bij die gelegenheid beval de Franse keizer hem in Parijs te gaan werken. Canova weigerde dat. Sterker, hij verweet Napoleon onomwonden Italië na de verovering van 1797 te hebben leeggeroofd. En nu Parijs vol stond met Italiaanse kunstschatten, was zijn komst volstrekt overbodig geworden. Bonaparte antwoordde koeltjes: ""Italië kan zichzelf compenseren door opgravingen.'

En onmiddellijk voegde hij eraan toe: ""Ik wil opgraven in Rome. Vertel me eens. Heeft de paus veel geld aan opgravingen besteed?'

Napoleon doelde op paus Pius VII, heerser van de Kerkelijke Staat voordat die in 1809 bij Frankrijk werd ingelijfd. Die inlijving van de afbladderende eeuwige stad luidde de eerste grootschalige opgravings- en restauratiewerkzaamheden in van de nog prille discipline der archeologie. Rome werd verheven tot tweede hoofdstad van het Franse imperium en diende een grondige opknapbeurt te krijgen. Onder de bezielende leiding van de jonge Franse prefect Camille Tournon werd een ambitieus programma opgesteld om Rome van haar stigma als ruïne te bevrijden en haar de oude antieke glans terug te geven. De armen en misdeelden van de stad werden massaal gemobiliseerd, zodat ook aan de sociale doelstellingen van Napoleon werd voldaan.

In The Eagle and the Spade. The Archeologie of Rome during the Napoleonic era 1809-1814 vertelt de Australische historicus Ronald T. Ridley het relaas van deze chaotische operatie, waarbij Fransen en Romeinen (vaak tegen heug en meug) nauw samenwerkten. In feite is hij de eerste die de periode in beeld brengt en daartoe heeft hij veel nieuwe informatie uit Romeinse en Parijse archieven vergaard. Met veel smaak dist hij de anekdotische geschiedenis van Rome's antieke monumenten op. Gedurende de middeleeuwen waren de antieke overblijfselen een makkelijke prooi geweest voor rivaliserende, aristocratische facties, die grote antieke bouwwerken ombouwden tot forten. Vijandige legers, zoals dat van de Normandiër Robert Guiscard in 1084, hielden ook huis in Rome. Bijna als enigen hadden de pausen in deze eeuwen nog respect voor de oudheden, maar vanaf de renaissance plunderden ook zij de ruïnes naar hartelust ten behoeve van hun eigen ambitieuze bouwprogramma's. Talloze pauselijke paleizen en kerken - waaronder de Sint Pieter - werden opgetrokken van antiek bouwmateriaal.

POMPEÏ

Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond er enig besef van de historische waarde van het Romeinse erfgoed. De Fransen hadden al vanouds een bijzondere belangstelling voor de stad gehad, en al in 1666 stichtten ze er het allereerste buitenlandse instituut, de Académie de France. Maar die was nog louter bestemd voor de oefening der kunstenaars. Wel waren de resten van Oudgriekse steden in Zuid-Italië en Sicilië al bekend en kwamen sinds de zeventiende eeuw antieke reisgidsen in zwang. Maar de geschiedkundige interesse werd pas echt aangewakkerd door de fraaie boekwerkjes die verschenen na de ontdekking van Herculaneum (1738) en Pompeï (1748).

Vooral na de Revolutie werden de materiële overblijfselen van de klassieke oudheid ervaren als overweldigend. Alles was groots, schoon en streng. Dit classicisme was een scherpe reactie op de zoetgevooisde rococo van de decadente, royalistische bourgeoisie. Het nationale Franse identiteitsvacuüm dat ontstond met de ineenstorting van het ancien regime kon niet beter opgevuld worden dan met de "zuivere' Romeinse deugden van strengheid en soberheid.

De Franse opgravingen in Rome markeren een breuk in de geschiedenis van de archeologie. De tijd van lukraak graven was voorbij, er werd nu bewust gestreefd naar een waarheidsgetrouwe reconstructie van het oude Rome. Eenvoudig bleek die taak niet. De antieke resten waren bedolven onder metersdikke aarde of helemaal omgeven door latere architectuur.

Na een aantal mislukte pogingen de organisatie van de opgravings- en restauratiewerken op poten te zetten, werd in 1810 de "Commissie ter verfraaiing' van Rome opgericht. Een aantal vooraanstaande Romeinse architecten werd belast met het opstellen van plannen en het maken van begrotingen. Maar dat bleek niet eenvoudig.

In weerwil van de nostalgische visies van kunstenaars als Piranesi en Luigi Rossini, schetst Ridley een beeld dat totaal niet in de geur staat van de romantiek waarmee vroege archeologische opgravingen geassocieerd worden. Het Franse bestuur wordt plastisch voorgesteld als een dubbel waterhoofd: één zetelde in Parijs en het andere in Rome. Parijs wist per definitie alles beter, óók wat er in Rome met de ruïnes diende te gebeuren en hoeveel geld dat zou gaan kosten. Parijs schrok dan ook behoorlijk toen Tournon voortdurend om meer geld bleef vragen om de geldverslindende restauratieprojecten te kunnen blijven financieren. Aanvankelijk toonde men nog wel enige loyaliteit, maar al spoedig liepen de begrotingen de spuigaten uit. De Franse minister van binnenlandse zaken besloot daarop twee agenten te sturen om poolshoogte te nemen, maar hij werd uiteindelijk niets wijzer van hun aanbevelingen. Het zou alleen nog maar meer geld kosten.

STADSVERNIEUWING

De Franse plannen die voor het centrum van Rome werden gemaakt, kunnen wat grootschaligheid betreft makkelijk wedijveren met de modernste stadsvernieuwingsprojecten: de volledige reconstructie van het Forum Romanum; restauratie van het Colosseum; het aanleggen van een park op het Capitool; restauratie van de tempeltjes van Vesta en Fortuna op het Forum Boarium en de volledige reconstructie van de markt van Trajanus. En dat was nog niet alles. Eén van de Franse doelen was op zoek te gaan naar het oude Romeinse straatniveau. De consequenties daarvan waren nauwelijks te overzien. De aanpak van het onder metersdikke modder gelegen Forum Romanum illustreert treffend de moeilijkheden die de Fransen op hun weg tegenkwamen. De gigantische hoeveelheden blubber die weggesleept moesten worden, werden vaak tegen woekerprijzen gedumpt op stukken grond van de locale aristocratie, of, in het ergste geval, op plaatsen waar nog gegraven moest worden! Tegelijkertijd diende zich het probleem aan dat de meeste monumenten zich op verschillende niveaus bevonden. Wat moest men, bij gebrek aan goede opgravingsmethoden, afgraven en tot hoe diep moest men gaan?

Een probleem van heel andere aard was de lange lijst van gebouwen en grond die onteigend moesten worden, teneinde de projecten te kunnen uitvoeren. Onderhandelingen met meestal aristocratische eigenaars, vorderden moeizaam of soms helemaal niet. Ook ontstonden moeilijkheden met betalingen aan het werkvolk. De werkzaamheden verliepen daardoor vaak in een grimmige sfeer, of helemaal niet, en niet zelden dreigden opstanden uit te breken.

Het meest verrassende van deze bestuurlijke chaos is nog wel, dat er toch nog zoveel bereikt werd, ook al was dat maar een fractie van de oorspronkelijke plannen. Van de bekende monumenten die nu nog in Rome te bewonderen zijn - het Forum Romanum, het Forum van Trajanus, het Colosseum, het Forum Boarium met zijn tempels van Vesta en Fortuna, het Pantheon, de zuilen van Trajanus en Marcus Aurelius - gaven de Fransen de eerste belangrijke aanzet tot conservering.

ZUIL VAN PHOKAS

In een aantal gevallen konden ruïnes geïdentificeerd worden, zoals de Domus Area, het onmetelijk grote paleis van keizer Nero dat lang was aangezien voor de thermen van Titus. Van de zuil van Phokas dacht men eerst dat die onderdeel was van de tempel van Jupiter Custos, of van de portico van Galigula. Achteraf is het maar de vraag of de Fransen de conservering van deze zuil wel zo de moeite waard hadden gevonden als ze hadden geweten dat het hier een vroeg-middeleeuwse schepping in opdracht van paus Bonifatius IV betreft. Die wilde zijn dankbaarheid tonen aan de Byzantijnse keizer Phokas van wie hij het Pantheon als cadeau had gekregen.

Ridley heeft in deze zeer leesbare studie een zinnige scheiding aangebracht tussen organisatie en uitvoering van de restauratiewerken. Het is echter jammer dat hij zo weinig oog heeft voor de receptie van het Romeins-klassieke ideaal die zo'n belangrijke rol heeft gespeeld bij de stoffering van de Franse Revolutie en de Napoleontische tijd die daar op volgde. Archeologie en politiek stonden in de beginfase van de discipline nog zeer dicht bij elkaar. Als restant van oude feodale tradities werd archeologie als middel gehanteerd om de absolute exclusiviteit van de aristocratie te versterken. De adellijken bepaalden waar de aandacht op kwam te liggen, en dat was op waardevolle voorwerpen en indrukwekkende architectuur. Dáár kon men zich mee identificeren, niet met paalgaten en verbrande potscherven.