Emancipeert de dood in Nederland? (2)

De Duitse Bondsdag heeft donderdagnacht het verlossende woord gesproken: vrouwen in heel Duitsland kunnen voortaan zelf bepalen of zij hun zwangerschap willen uitdragen of niet. Zorgvuldigheid moet, maar de regel is nu: Abortus mag. Een meerderheid heeft daarmee het vertrouwen uitgesproken dat vrouwen die beslissing niet lichtvaardig zullen nemen.

Het lange debat in Duitsland is voorlopig afgerond op een manier die de voormalige Oostduitsers het gevoel geeft dat niet alles in de DDR achterlijk was. En ook los van dat recente geschiedenis-voordeel, een beslissing over het beschikkingsrecht van de mens over zaken van leven en dood kon in het laat-twintigste eeuwse Duitsland niet lichtvaardig worden genomen, en is dat ook niet.

Merkwaardig genoeg zijn dit soort debatten in het verenigende Europa nog steeds zeer nationaal. De oorspronkelijk economische gemeenschap heeft veel andere terreinen van nationale politiek stilletjes ingelijfd. Zelfs de dagelijkse bescherming van de soevereiniteit wordt uitbesteed - zie het deze week door de Tweede Kamer geaccepteerde Schengen-akkoord, dat een kern-Europa bijna zonder binnengrenzen en met een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van buitenstaanders voorziet, ondanks de ver uiteenlopende vreemdelingen-emoties.

Maar wat de Europese landen van het menselijk leven vinden, blijft gescheiden en nationaal. Ieder land heeft zijn "historische beslissingen' en zijn akkoordjes met de regel van de wet. Kennelijk worden gevoelens van nationale identiteit sterk gevoed door de eigen omgangsregeling met leven en dood.

Na jaren van touwtrekken is in Nederland een soort gewoonterecht gegroeid dat verlossing uit een ondraaglijk en uitzichtloos leven toestaat. Mits genoeg dokters zijn geraadpleegd, en mits het om het bekorten van een eindfase gaat. De Rotterdamse rechtbank heeft dinsdag bepaald dat ook geestelijk lijden tot een erkende uitzondering kan leiden op de regel dat de dood alleen vanzelf mag komen.

Op het eerste gezicht is Nederland tot een aardig evenwicht gekomen tussen de heiligheid van het leven en de wens soms helpend op te treden in de noodsituaties waar het leven in een medisch hoog ontwikkelde beschaving op kan uitlopen. Buitenlandse bezoekers vinden het hier geldende compromis vaak griezelig redelijk.

Wie het voorrecht heeft oudere vrienden en familieleden in zijn omgeving te hebben, weet dat de afhankelijkheid in de derde levensfase vergeleken bij vroeger over het algemeen is afgenomen, maar ook dat de huidige werkelijkheid rond het levenseinde in veel gevallen treuriger is. In duizenden bejaardenkamers wordt dagelijks eenzaam geleden, juist in het vacuüm rond het zinloos geworden maar bij lange na niet terminale leven. De huidige regel schiet daar volstrekt te kort.

Alle bemoeienis van overheid, recht en samenleving met de goed bedoelde doodsbevordering komt voort uit de oer-regel van de onaantastbaarheid van het leven. Een geholpen zachte dood moet onder alle omstandigheden vermeden worden, tenzij heel bijzondere omstandigheden straffeloosheid mogelijk maken.

Dat klinkt begrijpelijker dan het is. Het bezit van een keukenmes wordt ook niet verboden, hoewel daarmee moeiteloos een huisgenoot kan worden gedood met wie de bezitter in onmin is geraakt. Waarom neemt de maatschappij dat risico wel, terwijl de levensbeëindiging van een zwaar en zichtbaar lijdende patiënt of bejaarde op alle mogelijke manieren onmogelijk wordt gemaakt? Het enige antwoord lijkt: omdat die patiënt of bejaarde zich zelf vaak niet afdoende kan verdedigen. Geen al te sterke reactie, veel huisgenoten hebben ook niet terug van een doelbewust ingezet keukenmes. Terwijl de hopeloze vaak smeekt om verlossing.

De toespraak van de psychiater Van Dantzig, waar ik woensdag melding van maakte (afgedrukt in het blad Cicero, Academisch Ziekenhuis Leiden, 15 juni 1992), legt de vinger op de zere plek. Zonder iemand te beschuldigen geeft hij aan waar wij vastzitten, waar de geldende redenering niet meer deugt.

Van Dantzig maakt duidelijk dat de werkelijke verklaring voor het geldende taboe schuilt in de morele beladenheid van de dood. Het sterven zit nog steeds in de sfeer van Goed en Kwaad, en wanneer voorlopers zoals H. Drion daar aan tornen, dan wijzen tegenstanders op de verderfelijke gevolgen van verruiming van de regels. Men zegt dat die “moet leiden tot verval van zeden, tot onherkenbare moord, tot vermindering van betrokkenheid van verwanten en helpers”.

Om de uitwerking van die morele doem duidelijk te maken, geeft Van Dantzig het voorbeeld van een aan te leggen nieuwe autosnelweg. Die lokt geheid talloze nieuwe verkeersslachtoffers uit. “Maar dat wordt niet serieus als een argument gebruikt om hem niet aan te leggen, omdat autogebruik geen moreel onderwerp is.”

De nadelen van een vrijer sterven kunnen in dit klimaat niet worden afgewogen tegen de nadelen van moeten doorleven, stelt hij, ook al omdat de eenzame wanhoop van het eindeloos bungelen aan een levensdraad “onzichtbaar is en daarom makkelijk ontkend kan worden”.

Drions voorstel om ouderen desgewenst een pil te geven opdat zij kunnen leven in de rustige wetenschap dat zij een eind aan dat leven kunnen maken vóórdat zij worden uitgeleverd aan “vreemden voor wie ons eigen enige levenseinde een zaak van routine is”, moest in dat zwaar morele klimaat wel ten prooi vallen aan bangmakerij.

Eindeloos doorbehandelen van mensen voor wie de kwaliteit van het leven bij het nulpunt is aangeland komt volgens Van Dantzig niet voort uit onwil of bekrompenheid van de dokters. “Het is veel meer zo dat de gemeenschap, wat dat ook moge zijn, zijn regels stelt en de handhaving in het individuele geval legt bij de hulpverlener, laten we zeggen de arts.”

Van Dantzig pleit voor een “democratisering van de moraal”. Die zal ook leiden tot een andere instelling ten opzichte van de dood. “Niet de ene regel inruilen voor de andere, maar het scheppen van opties. Die opties, dus het hebben van een keus - doorbehandelen of sterven - komen pas aan de orde als het sterven uit de morele sfeer is gehaald en geworden tot een zaak van persoonlijke keus binnen het kader van de wet, zoals bij abortus het geval is geworden.”