DROGREDENEN

Dat hebt U mij niet horen zeggen.... Drogredenen van A tot Z door Frans van Eemeren en Rob Grootendorst 142 blz., Contact 1992, f 19,90 ISBN 90 254 0083 3

De mooiste eigenschap van mensen is dat zij het zelden met elkaar eens zijn. En gelukkig maar, anders was het knap saai. Schopenhauer merkte ooit op dat ""de beste manier om aan een debat te beginnen ongetwijfeld is om gelijk te hebben''. Maar dat was, preciseerde hij, eigenlijk helemaal niet nodig, gezien de zwakheid van het menselijk verstand.

Elk debat voltrekt zich door middel van argumentaties over en weer. Argumentaties zijn verbale rechtvaardigingen van meningen. De bedoeling is dat met argumenten rationeel oordelende toehoorders ervan worden overtuigd dat de meningen juist zijn. En dat is niet zo simpel als het lijkt.

De oude Grieken merkten al dat er een verschil is tussen gelijk hebben en gelijk krijgen, en de kern van hun filosofie bestaat uit overpeinzingen over de ongemakkelijke relatie tussen logica, dialectica (vaardigheid van het debat) en retorica (de kunst van het overtuigen). Tegenwoordig bestaat er nog steeds een tak van de filosofie die zich bezighoudt met de wetenschap van het debat: soms "informele logica' genoemd, maar meestal "argumentatietheorie'. In zekere zin is het zelfs de enige vorm van wijsbegeerte waarin de afgelopen decennia enige vooruitgang is geboekt, vooral omdat dank zij de argumentatietheorie bleek hoezeer andere stromingen op geloof berusten en niet op geldige redeneringen.

Argumentatietheorie bloeit sedert de jaren vijftig, en daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats ontstond na de oorlog de maatschappelijke behoefte aan "zindelijk denken' (zoals de titel van een bekende handleiding uit die tijd luidde), het doorzien van propaganda en politieke drogredeneringen. In de tweede plaats was er de erfenis van de Angelsaksische taalfilosofen die smeekte om praktische uitwerking. Grote namen van de argumentatietheorie uit deze tijd zijn de Noor Arne Naess, de Brit Stephen Toulmin en de Belgen Chaim Perelman en Lucy Olbrechts-Tyteca. In Nederland werd vanaf de jaren zeventig het vaandel vooral gedragen door E. M. Barth en haar ijverige leerlingen, de "taalbeheersers' Frans van Eemeren en Rob Grootendorst.

De laatste twee hebben de afgelopen decennia een gestage stroom nogal gelijkvormige publikaties over argumentatietheorie het licht doen zien. Nu is daar dan met Dat heeft U mij niet horen zeggen... een publieksboek bijgekomen, gevuld met verschillende soorten drogredeneringen uit de politieke en journalistieke sector, opgetekend in periodieken als de Volkskrant, Vrij Nederland en NRC Handelsblad. Het lijkt eerlijk gezegd een beetje op een gepopulariseerd collegedictaat, waarin alle klassieke valkuilen van het menselijk debat weer de revue passeren: de cirkelredenering (petitio principii: ""God bestaat, want dat staat in de Bijbel en dat is Gods woord''), de persoonlijke aanval (argumentum ad hominem: ""Jij mag geen kritiek leveren op Vrouwenstudies, want je bent een man''), de intimidatie (argumentum ad baculum: ""Wij ontkennen alles en bovendien adverteren wij per jaar voor duizenden guldens in Uw krant''), het ontduiken van de bewijslast (""Ik heb nog nergens gezien dat mijn aantijging onjuist is''), het vertekenen van andermans standpunten (""Bolkestein wil een verbod op de Islam en dus is hij geen liberaal''), het beroep op de publieke tribune (argumentum ad populum: ""De meerderheid van het volk kan geen ongelijk hebben''), het beroep op autoriteiten (argumentum ad verecundiam: ""Hoe durft U de mening van een hoogleraar te betwijfelen!''), het goochelen met oorzaken en gevolgen, scheve vergelijkingen, opzettelijke woordspelingen. Niets menselijks is de argumentatie vreemd, zoveel wordt weer duidelijk.

In zekere zin is dit boek een update van oude verzamelingen met drogredeneringen zoals De Sophisticis Elenchis van Aristoteles, Drogreden of argument van Fearnside en Holther uit 1959, of Fallacies van C. L. Hamblin uit 1970. En dat is dan ook het voornaamste bezwaar: de regels van de "redelijke' argumentatie kent iedereen zo langzamerhand wel, en de beschaafd belerende toon van de argumentatietheoretici ook. Het is allemaal zeer nuttig, en in sommige landen wordt argumentatietheorie zelfs onderwezen op middelbare scholen. Maar veel interessanter is de vraag waarom we de regels toch voortdurend ontduiken. En misschien ook wel moeten ontduiken, om de geest soepel en teksten leesbaar te houden. Opvallend veel voorbeelden van "drogredeneringen' in dit boek komen uit columns en ironiserende commentaren. Dat de argumentaties daar niet volgens de regels verlopen, maakt ze juist genietbaar.

Niet iedere formele drogredenering is, kortom, even ondeugdelijk. Zoals een voetballer niet zonder een goede schijnbeweging kan, zo mag een debater zijn tegenstander op het verkeerde been zetten. Dan moet die maar zien of hij zich laat passeren, of alsnog een tackle inzet met behulp van de argumentatietheorie. Of zou dit een ""scheve vergelijking'' zijn?