DE JAREN ZESTIG ALS NEDERLANDSE POLONAISE

Voorlopers bij demografische veranderingen door H. J. de Feijter 200 blz., NIDI 1991, f 25,- ISBN 90 70990 30 X

Na de jaren 1940-1945 zijn de jaren zestig ongetwijfeld de best gedocumenteerde van de jongste Nederlandse geschiedenis. Deze aandacht is niet overdreven: internationaal sprong Nederland er uit door de snelheid waarmee de veranderingen zich voltrokken.

Tot die tijd was de Nederlandse samenleving verzuild, kleinschalig, gesloten en gezagsgetrouw. In "de jaren zestig' - in feite ging het om de periode 1965-1975 - veranderde Nederland in één van de meest geïndividualiseerde, vrijzinnige en "open' samenlevingen ter wereld.

De nieuwe situatie bracht de mensen veel meer keuzemogelijkheden. Bovendien hoeven eenmaal gemaakte keuzes steeds minder definitief te zijn. Daarmee is de voorspelbaarheid van opvattingen en gedrag, ook voor het individu zelf, minder geworden. Onderzoek naar de eigenschappen van "voorlopers' in verandering wordt daardoor steeds belangrijker, stelt Henk de Feijter in zijn proefschrift Voorlopers bij demografische veranderingen.

Tussen 1965 en 1975 voltrokken vooral de veranderingen op demografisch gebied zich met duizelingwekkende snelheid. Bewuste kinderloosheid werd in 1965 door zeventig procent van de Nederlanders veroordeeld. In 1975 had nog maar vijftien procent bezwaar. Geboorteregeling raakte zo snel geaccepteerd dat "voorlopers' van deze trend niet meer konden worden getraceerd. In 1965 toonden de religieuze groeperingen grote verschillen in hun opvatting over de toelaatbaarheid van geboorteregeling. Na 1975 hadden nog maar zo weinig mensen bezwaar dat de hele vraag niet meer werd gesteld.

In zijn boek probeert De Feijter de "voorlopers' op demografisch gebied te beschrijven, waarbij hij onderscheid maakt tussen "voorlopers' in opvattingen en (dat hoeven niet dezelfden te zijn) voorlopers in gedrag. Zijn onderzoeksmethode is de statistische analyse van enquêteresultaten uit de afgelopen twintig jaar.

STADSBEWONERS

Het interessante van dit boek ligt niet in zijn conclusie omtrent de kenmerken van "voorlopers'. Zowel wat betreft opvattingen als gedrag wordt de voorhoede gevormd door de bekende jongere, buitenkerkelijke, hoog opgeleide stadsbewoners.

Evenmin is de relatieve positie van de levensbeschouwelijke groeperingen verrassend. Voorlopers zijn niet-kerkleden; hervormden en katholieken nemen een middenpositie in, gereformeerden volgen het laatst. Een culturele verandering is in Nederland "voltooid' wanneer in zijn afgelegen boerderij de laatste gereformeerde, laag opgeleide grijsaard "om' gaat (en wanneer de laatste bejaarde, laag opgeleide fundamentalistische moslim zich gewonnen geeft).

Kerklidmaatschap is, naast opleidingsniveau, het belangrijkste criterium dat demografische verschillen verklaart. Daarom besteedt De Feijter een groot en boeiend deel van zijn boek aan de ontwikkelingen tussen en binnen de levensovertuigingen.

De secularisering, een proces dat al langer gaande is, maakte in de jaren 1965-1975 een grote sprong voorwaarts. Maar "secularisering' kan zowel betrekking hebben op verandering van ideeën als op verandering in kerkelijkheid. De Feijter onderzocht wat er gebeurt als je voor de periode tussen 1968 en 1981 deze laatste factor statistisch uitschakelt.

Ware de bevolking van 1981 op onder andere godsdienstig gebied net zo samengesteld als die van 1968, dan zou verreweg het grootste deel van de veranderingen zich toch hebben voorgedaan. De secularisering van opvattingen en gedrag valt dus maar voor een klein deel te verklaren uit de ontkerkelijking. Veel belangrijker zijn de veranderingen binnen de religieuze groeperingen. De waarde van dit boek ligt vooral in zijn statistische onderbouwing van deze "binnenkerkelijke secularisering'.

De Feijter maakt zichtbaar dat dit proces nog steeds doorgaat. Zo is een meerderheid die seks tussen ongehuwden afwijst alleen nog te vinden onder gereformeerden. Maar gereformeerden in het westen des lands hebben hun bezwaren al in meerderheid laten varen. Over samenwonen vóór het huwelijk denken ongehuwde jonge katholieken nauwelijks meer anders dan jonge niet-kerkleden.

POLONAISE

Heel Nederland veranderde de afgelopen decennia van opvatting, en ieder in ongeveer hetzelfde tempo. De "voorlopers' zijn dan degenen die in hun uitgangspositie al voorop lagen. De veranderingen sinds de jaren zestig verliepen als een polonaise, aangevoerd door de grachtengordel, de zwarte kousen aan de staart.

Maar niet op alle punten geldt dat de relatieve posities van de levensbeschouwelijke groeperingen ongeveer gelijk bleven. In 1965 vond bijna de helft van de bevolking echtscheiding ontoelaatbaar. Katholieken waren koplopers in het afwijzen ervan: zij waren voor twee derde tegen. In 1970 was nog maar dertien procent van de bevolking tegen echtscheiding, en bestond tussen de religies weinig verschil meer. Alleen leeftijd speelt nog een rol.

Dit is één gebied waar de verandering onder katholieken veel sneller verliep dan onder de andere groeperingen. Voor het geboorteniveau geldt hetzelfde. Katholieke vrouwen, kort geleden onovertroffen in kinderrijkdom, verwachten nu gemiddeld het laagste aantal kinderen van alle religieuze groeperingen.

Tot na de oorlog waren Nederlandse katholieken, door hun minderheidspositie, roomser dan de paus. Maar eenmaal ontketend lijken ze zich te ontwikkelen tot de meest "vrijzinnige' bevolkingsgroep na de onkerkelijken. De Feijter gaat hier niet diep op in, en formeel terecht. De Nederlandse katholieken zijn geen "voorlopers': zij onderscheiden zich niet door hun bijdrage aan het op gang brengen van de veranderingen, maar door de gretigheid waarmee ze die overnamen.

Daarmee vormen zij wel een unieke categorie. Zoals Nederland er internationaal uitspringt door de snelheid waarmee de veranderingen zich voltrokken, zo lijken binnen Nederland de katholieken koplopers. Waardoor? De Feijter is terughoudend in bespiegelingen, maar wie ervan houdt, vindt in zijn boek een schat aan materiaal.