'De hoofdredacteur vergist zich nooit'; "Ik ben sarcastisch. Of sardonisch, hoger bied ik niet.'

Van 1983 tot 1989 was Wout Woltz (60) hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Daarna werkte hij als verslaggever. Deze week verlaat hij definitief de redactie. Schrijven is voor hem geen verslaving, maar: "Ik heb nog steeds de neiging om in de auto te springen als ik de brandweer voorbij hoor komen.'

Als we aanbellen bij het hoekige herenhuis in een Haagse villawijk, begint een sirene te loeien en een zwaailicht te flitsen. Wout Woltz doet open. ""Dat moet wel onbetrouwbaar volk zijn.'' Hij maakt zijn excuses; vergeten het inbrekersalarm af te zetten. ""Ik liep toevallig net de woonkamer binnen, toen sloeg hij aan.'' Woltz vertrekt geen spier. Hij houdt van spelletjes, zegt hij later.

Op de planken van zijn werkkamer staan tientallen elektromagnetische staartklokken, microscopen en telescopen. Klokken zijn een passie, maar ""sinds de uitvinding van het quartz-kristal is de lol eraf''.

Engeland is een andere liefde: ""De clichés en de sjablonen over dat land trokken me altijd. De reserve, de vormelijkheid en de subtiele gelaagdheid van de samenleving.'' De waardige Wout Woltz vindt het er "plezierig verkeren'. ""Een Engelsman zal je nooit direct zeggen wat hij denkt. Vergeleken daarmee ben zelfs ik verschrikkelijk bot.''

Ook de Engelse hang naar ceremonieel spreekt hem aan. ""Bij een Haagse receptie zag ik de Nederlandse zakenlieden mopperen omdat ze pas na de politici en het corps diplomatique kwamen.'' Meesmuilend: ""Decorum is belangrijk voor mensen. Ik ben ook erg voor de herinvoering van adellijke titels.''

Woltz lijkt ervan te genieten deel van het establishment te zijn. ""Het is merkwaardig, die veranderende rol van de pers. Toen ik begon, huiverde je om een minister te bellen. Nu bellen ze je zelf en willen ze ook nog met je lunchen.'' Aanschuiven bij de notabelen is, met alle reserve en ironie die hem eigen is, in zekere zin een vervulling van een oude ambitie. Het begon met dagdromen over omgang met literaire kopstukken. ""Het leek me heerlijk om Mulisch en Nooteboom tegen te komen'', zei hij in een interview, ""en dat ik dan kon zeggen: "Dag Harry, dag Cees!' en dan zij: "Dag Wout!'.'' Inmiddels verkeert hij met mensen uit de top van het bedrijfsleven en politici. ""Dat gevoel aan de inside te zijn, te weten hoe beslissingen genomen worden, te weten hoe het klokje tikt, dat is de beloning.''

Maar het toetreden van journalisten tot de hogere kringen blijft een vorm van gedogen, niet van accepteren. ""Ik zit in een soort herenclubje in Den Haag, zakenlieden, politici, diplomaten. Voor zulke dingen word je gevraagd als je hoofdredacteur bent. Maar als de commissaris iets heeft te bespreken met de president, doen ze dat niet met jou in de buurt. De journalist wordt nooit echt geaccepteerd door het establishment, for that matter.''

Woltz stamt uit een socialistisch gezin uit het Amsterdamse Betondorp. Zijn vader, voor de oorlog werkzaam bij de Amstelbrouwerij, ging na de oorlog in het vakbondswerk. ""Ik bezocht wel eens met hem een bijeenkomst. Dan vertelde hij de mannen dat ze het niet moesten pikken. Dat vond ik gênant. Ik hoorde dat hij een beetje in de overdrive was, demagogisch en sentimenteel. Ik houd niet van dat valse, Amsterdamse sentiment. Dat slaat niet op mijn vader, hoor.'' Hij denkt even na. ""Hoewel, als wij in de schemering een opera op de radio beluisterden, gingen de lichten uit, de ramen open en moesten we allemaal stil luisteren...''

Het was Woltz al snel duidelijk dat hij zijn milieu zou ontstijgen. En hij niet alleen: ""In Betondorp zat in een groot aantal mensen toch een zekere potentie die ongebruikt bleef door sociale omstandigheden.'' Woltz wilde toen al een ander soort waardigheid aan zijn bestaan geven en vond geestverwanten. ""Met vriendjes las ik Winnetou-verhalen. Krijgslieden onder elkaar, stoïcijns, stijlvol. We moesten ons vooral eerbaar gedragen.''

De eerste stap uit Betondorp voerde naar Het Vrije Volk, toen de grootste krant van Nederland, maar nog altijd in het veilige, socialistische nest. ""Ik kwam van de kweekschool voor onderwijzers, in de vaste zekerheid dat ik geen les zou geven - dat is ook beter geweest voor de kinderen, denk ik.''

Zijn journalistieke ambitie ontstond na het winnen van een opstelwedstrijd over industrialisatie - hoofdpersonen waren meneer Indust en zijn vrouw Rie. Woltz mocht een aantal bezoeken afleggen aan fabrieken. Daar zag hij voor het eerst journalisten in levenden lijve. ""Dat leek me wel wat. Veel reizen en niet zo hard werken. Dat deed mijn jongenshart sneller kloppen.''

Bij Het Vrije Volk begon Woltz als redacteur voor de Leidse editie. Het avontuur bestond vooralsnog uit het bezoeken van drie, vier vergaderingen op een avond: van de gemeenteraad, de duivenmelkers, de Soefi-vereniging, de universiteit enzovoorts - en 's nachts de kopij per treinbrief meegeven aan de conducteur van de laatste trein naar Amsterdam. ""We werkten ons te pletter, allemaal jonge, onderbetaalde redacteuren. Maar er is veel journalistiek talent uit voortgekomen.''

De dogmatische inslag van het socialistische Vrije Volk (""Ze dachten dat ze de Heilige Graal in huis hadden'') stoorde hem, maar meer nog de "puriteins-dictatoriale' sfeer: ""Er werd vrij diep in je persoonlijk leven binnengedrongen.'' Hij herinnert zich een chef die met een leerling-journaliste had geslapen. ""Dat was natuurlijk heel slecht'', zegt hij met een tevreden glimlach. ""Die man moest zich verantwoorden bij de hoofdredacteur - samen met zijn vrouw.''

Hij verliet de krant na een matige beoordeling van zijn chef. ""Elk jaar ontvingen we een beoordelingsbrief. Was je goed, dan kreeg je tien procent loonsverhoging; was je matig, kreeg je vijf procent; was je slecht, nul procent. Ik kreeg vijf procent, omdat ze mijn jeugdrubriek wel aardig vonden.'' Na een jaar te hebben gewerkt in de reclame solliciteerde hij bij het Algemeen Handelsblad.

Deze liberale krant was weer een stap verder weg van Betondorp. De anglofiel Woltz betrad de redactie graag met paraplu en bolhoed - een post-puberaal verschijnsel, zegt hij nu. Iets dandy-achtigs heeft hij altijd gehouden. Maar Woltz zegt dat die zwierige kleding niet diende om zich te onderscheiden. ""Daar heb ik nooit behoefte aan gehad. Ik ben twee meter lang'', zegt hij met een bijna verontschuldigende blik op zijn lijf. ""Ik moest een weg vinden met dit idiote lichaam.''

""De kleren kunnen me niet schelen. Wel het spel-element daarin, het provocerende. Ik hou van spelletjes, vooral van sociale spelletjes. Een journalist heeft daar veel aan. Toen het huwelijk van Irene met die Spaanse Bourbon op komst was, was het Koninklijk Huis aan het skieën in Lech. Iedereen er naartoe natuurlijk. Ik droeg zo'n ouderwetse koetsiersjas, lang, zwart met fluwelen kraagje, heel on-journalistiek. Ik hoorde van mijn collega's dat er geen enkele kamer meer was in het hotel waar de familie verbleef. Ik ben gewoon met mijn mooie jas naar de balie gelopen: "Goedemiddag, heeft u voor mij een kamer voor een dag of veertien of drie weken, ik zie nog wel.' "Natuurlijk mijnheer.' Dat is bluffen. Als je dat doet ga je vanzelf rechtop lopen, de borst vooruit, de kin in de lucht.''

Achter de bluf van Woltz gaat een grote luiheid schuil, heet het in verhalen van collega's. Woltz komt overeind, zijn gezicht in de ernstigste plooi: ""Ik was de hardstwerkende journalist van de krant!'' Die luie reputatie dateert van begin jaren zeventig, denkt hij. Bij het gefuseerde NRC Handelsblad maakte hij als adjunct-hoofdredacteur (wat hij bij het Algemeen Handelsblad was geworden) plotseling deel uit van een topzwaar kader. ""Er was te weinig werk voor teveel hoofdredacteuren. En ik had geen zin om te vechten om de macht. Ik vond mijn collega's aardig. Als het nou aartsintriganten waren geweest, dan had ik wel plezier gekregen in de strijd.''

In die tijd, zegt toenmalig hoofdredacteur André Spoor, was Woltz niet vaak te vinden op de krant. Klopt, zegt hij zelf. ""Ik was niet erg geïnspireerd.'' Hij richtte zijn energie in die tijd op de verbouwing van zijn woning, wat hem de bijnaam "de best betaalde bouwvakker van Nederland' opleverde. Woltz is not amused. ""De journalistiek volhardt hardnekkig in vooropgezette ideeën. Dat merk je als het over jezelf gaat. Ik loop niet altijd zuchtend rond, ben vrolijk. Ik werk bovendien in golven. Soms wacht ik liever tot morgen met het nemen van een beslissing.''

Een hoofdredacteur moet vervelende beslissingen kunnen nemen, vindt hij. Collega en vriend Henk Hofland typeert de hardheid van Woltz: ""Hij was eens aan het verbouwen in zijn huis, toen zijn haakse slijper vastliep en uit zijn handen schoot. Het blad sneed door zijn strot. Wout legde het apparaat op de grond, liep naar de spiegel en zei tegen zijn bloedende spiegelbeeld, om te zien of zijn stembanden waren beschadigd: "Man, you're in trouble.' Vervolgens drukte hij een handdoek tegen zijn hals en reed met één hand naar het ziekenhuis waar de wond werd gehecht.''

Hardheid, afstandelijkheid, het zijn belangrijke eigenschappen voor een hoofdredacteur, denkt Woltz. ""Je moet mensen over een dood punt heen helpen, soms met schelden, soms met praten.'' Dat hij plezier zou beleven aan het kwetsen van mensen is volgens hem ook al weer zo'n mystificatie. ""Ik ben sarcastisch. Of sardonisch, hoger bied ik niet.'' Met de macht heeft hij een moeizame verhouding. ""Ik ben een reluctant lover, liep liever om de macht heen. Dacht dat ik er minder aardig van zou worden. Maar dat is niet waar.''

Macht heeft een hoofdredacteur wel degelijk. Wie neem je aan op de krant, wie worden je vrienden. ""Dat is doorslaggevend voor de sfeer. Die sijpelt door in de kolommen. En daar zijn de lezers heel bevattelijk voor. Die willen het gevoel hebben "daar gebeurt het', als bij een nieuwe disco. Je kunt het karakter van een krant niet veranderen, maar door verkeerde beslissingen wel de vaart eruit halen.''

In hoge mate bepalend zijn de coryfeeën. ""Je treft er een paar aan als je komt en je kijkt eens in het land of daar nieuw talent is dat je zou moeten hebben.'' Talent is de maatstaf. ""Wie talentvol is, kan zich meer permitteren. Dat vinden sommige mensen oneerlijk. Maar het werkt nu eenmaal zo en het is toevallig nog beter voor de krant ook.''

Of Woltz bij zijn speurtocht naar nieuwe coryfeeën voor de krant wellicht wel eens over een minder talent is heengedenderd, of - erger nog - een talent heeft gefnuikt? ""Nee, talent komt altijd naar buiten. Daar kan je als hoofdredacteur niets tegen doen.'' Heeft hij zich wel eens in een talent vergist? De stem daalt: ""De hoofdredacteur vergist zich nooit.''

Als hoofdredacteur van NRC Handelsblad probeerde Woltz vooral de verslaggeverij te versterken: de krant zou te institutioneel gericht zijn. Dat heeft hem het verwijt opgeleverd dat hij de krant zou willen "vulgariseren' - weer zo'n woord waar Woltz allergisch voor is. ""Wat je als journalist ook schrijft, het is op effect gericht. Dat heeft niets met vulgariteit te maken. Je hoeft niet altijd waardig te schrijven. Het mag ook emotioneel zijn, als de verslaggever maar een goede stijl heeft, anders wordt het larmoyant. Een collega heeft mij daarover wel eens aangehoord en zei: "Maar wat jij wilt is literatuur!' Als het kan, ja. Je spreekt de lezer op allerlei niveaus aan, op zijn nieuwsgierigheid, zijn intellectuele behoeftes, zijn emoties. De krant moet elke dag theater met verschillende aktes bieden.''

Dat theater bieden de Nederlandse kranten maar in beperkte mate. Maar Nederland is volgens Woltz nu eenmaal een wat saai land, waar alle belangen verweven zijn en uitermate professioneel worden verdedigd. ""Verhinderen wat anderen willen doen, dat is besluitvorming in Nederland. De pers deelt in die malaise. Campagne voeren is in de Nederlandse pers uit den boze. ""Gerichte acties met als ondertoon: dit brengen we naar voren, daar moet iets aan gedaan worden.''

""Er is nauwelijks serieuze concurrentie tussen de kranten. Ze beginnen steeds meer op elkaar te lijken. De Volkskrant heeft haar formule langs die van NRC Handelsblad gelegd. Dat is commercieel niet dom gedacht. Zolang die krant niet het peil bereikt dat de eenvoudige lezer afschrikt, kan zij nog wel wat extra niveau gebruiken.'' Hij glimlacht fijntjes. ""Maar eenvoudige lezers hebben nog lang niet genoeg van de Volkskrant.''

Zijn correspondentschap in Engeland, eind jaren zeventig, beschouwt Woltz als zijn journalistieke hoogtepunt. Het hoofdredacteurschap was daarna een harde overgang: ""Je bent je vrijheid kwijt, want steeds vertegenwoordig je de krant. Je moet veel voor je rekening nemen. Soms zelfs voor de rechter.''

De eerste jaren vielen niet mee; bij verschillende gelegenheden moest Woltz naar eigen zeggen bestraffend worden toegesproken door collega's als hij het bijltje erbij neer wilde leggen. ""Wat kon ik doen in zo'n gesmeerde organisatie? Maar het aardige van het managen van 175 journalisten is ervoor te zorgen dat ze iedere dag die voorstelling kunnen bieden. En het is soms gelukt. Dan hoorde je de machine gonzen en kon je 's avonds zeggen: vandaag hebben we de New York Times en Le Monde verslagen.''

Het afscheid van het hoofdredacteurschap viel Woltz zwaar. ""Ik had toch een post-managerial syndrome en dat duurde langer dan ik vermoedde. Plotseling geen secretaresse meer die je dag indeelt, de telefoon blijft stil. Je mag alles en doet daarom niets. Heel vervelend. Ze zouden een begeleidingsdienst voor aftredende hoofdredacteuren moeten instellen.''

Afscheid van de macht en de geestverwanten. ""Het is gek, toen ik hoofdredacteur was, dacht ik veel aan de lezers. Ik stelde me voor hoe de kranten werden gedrukt en verspreid. Hoe die in de bus viel bij de lezer, die juist een jenevertje inschonk en in z'n stoel ging zitten lezen. Dan voelde ik me heel erg verwant aan hen. Ik had ze wel allemaal in een groot stadion bij elkaar willen hebben om ze een voor een de hand te drukken. Sentimenteel, nietwaar?''