Bedreigd Nederlands (4).

Voor een goed verloop van de discussies over het bedreigde Nederlands zijn een paar onderscheidingen onmisbaar. De belangrijkste is misschien - zoals bij alle discussies - die tussen verstand en emotie.

Zo is er ook een belangrijk verschil tussen taalkunde en taalpolitiek. De eerste is een wetenschap, d.w.z. z'n beoefenaars verzamelen en ordenen taalfeiten, al dan niet met toevoeging van theorieën. Die taalkunde wijst ook resoluut elke vorm van taaldiscriminatie van de hand en kent zelfs geen argumenten om de begrippen taal en dialect te scheiden. Termen als "dat mooie Italiaans' of "dat smerige Amsterdams' zijn vanuit taalkundig standpunt vervuilend, omdat ze de serene objectiviteit verstoren door hun emotionele kleur.

Taalpolitiek is geen wetenschap, maar een sterk subjectieve zaak. Toch vind je in veel taalkundig bedoelde boeken sporen van die taalpolitiek (en van andere emotionele dingen). Woordenboekschrijvers vermeden vooral vroeger leenwoorden, in de hoop dat ze daarmee het gebruik daarvan terug zouden dringen, zoals ze ook "vieze' woorden vaak niet vermeldden. Soms ook hebben vloeken en antisemitische uitdrukkingen geen plaats in woordenboeken.

Taalpolitiek is een onderdeel van cultuurpolitiek: het streven naar kwalitatieve verbetering van het peil van je cultuur en van uitbreiding ervan in het (taal)buitenland. Een prachtig voorbeeld is de Franse: in het Franse binnenland was die voor een groot deel gericht op uitroeiing van de taalminderheden (het Nederlands rondom Duinkerken, het Duits in de Elzas, het Bretons in Bretagne enz.), terwijl in het buitenland de Franse minderheden met kracht gesteund werden, met name de Franssprekende Canadezen die sinds de Gaulle's provocatieve bezoek aan die streek steeds meer zelfbevestiging willen en zelfs een discussie voeren over politieke zelfstandigheid.

Tegelijk werkt de Franse buitenlandse taalpolitiek, met miljardensteun, over de hele wereld aan uitbreiding van de invloed van de Franse taal en cultuur door tactisch, intelligent en alert (bijvoorbeeld in Oost-Europa na de verdwijning van de Muur) de beste produkten van de Franse cultuur te propageren.

Het spreekt vanzelf dat de Fransen zoiets enkel kunnen doen vanuit een heel sterk zelfvertrouwen, om niet te zeggen: een gruwelijke zelfoverschatting. Ze noemen hun taal ""de mooiste taal van de wereld''; ""wat niet helder is, is niet Frans''. Die mythes doen het in Frankrijk nog altijd goed. Natuurlijk is er een tijd geweest - de 17de en de 18de eeuw - dat het Frans inderdaad in grote delen van Europa dè internationale hulptaal was, en met name ook de pronktaal van deftige mensen. De taaldiscriminatie in de Waalse kerken is daarvan nog een heel duidelijk restant.

Maar de tijden veranderen, en vooral na de laatste oorlog heeft het Engels die rol overgenomen. De Fransen lijken dat niet goed te willen aanvaarden: hun onwil om Engels te leren is nog altijd heel groot, zoals die van Italianen en Spanjaarden.

Daar staat tegenover dat de meeste Nederlanders en Vlamingen niet te begrijpen zijn als je het centrale punt van hun taalgedrag niet ziet: hun afgronddiepe minderwaardigheidsgevoel. Ze vinden hun taal "lelijk', ze schamen zich om die te spreken, zelfs in z'n beschaafde vorm. Ook hier leven de mythes: Fransen en Engelsen zijn zo "dom' in het aanleren van vreemde talen, maar wij Nederlanders en Vlamingen hebben van god een speciaal talent daarvoor gekregen (kijk maar naar het Nederengels van Nederlandse politici e.a., dat Heldring op 13 juni vermeldt). Wij vinden Engels een makkelijke taal, en spreken het uitstekend. We vinden dat je die taal al op de lagere school aan de kinderen moet leren: ze kunnen niet vroeg genoeg wennen aan de gedachte dat hun moedertaal waardeloos is. Het is bijzaak dat de meeste onderwijzers feitelijk totaal onbevoegd zijn.

Hoe meer woorden we nu alvast aan het Engels ontlenen, hoe flinker we ons voelen, en hoe eerder het Nederlands veranderd is in Nederengels. Dat willen we eigenlijk.

Buitenlanders die Nederlands leren - tienduizenden over de hele wereld - zijn ""hartstikke idioot'', en de Nederlandse cultuur op de Frankfortse Boekenbeurs mooi te voorschijn laten komen, is geld wegsmijten. Jammer dat de Kamer zo lastig was. Jammer ook dat die culturele zelfmoord niet doorging: verengelsing van het universitaire onderwijs. In de bezettingstijd zou verduitsing op hevig verzet gestuit zijn, maar als een ander je de strop niet omdoet, kun je het ook zelf doen.

Hoe genees je mensen van een waan? Ik denk: door eerst verstandelijk een stel feiten op een rijtje te zetten. Allereerst: de wetenschap, het zakenleven, de diplomatie zijn meer dan ooit internationaal gericht, en verreweg de meest gebruikte hulptaal in dat verkeer is het Engels. Een beperkt aantal Nederlanders moet een beperkte hoeveelheid Engels beheersen voor een beperkt aantal situaties. De een vind dat droevige noodzaak, de ander geniet ervan.

Verder: vooral via tv en videobanden komt er een brede stroom Amerikaans volksvermaak over de hele wereld; je kunt die onmogelijk tegenhouden. Bijna de hele internationale nieuwsvoorziening is Engelstalig. In het oosten begint een sterker wordend tegenwicht voelbaar te worden: door de hereniging van de twee Duitslanden begint het Duits in belang te groeien als moedertaal van 115 miljoen mensen en als hulptaal in heel centraal Europa. Het is nog de vraag, op welk punt het evenwicht met het Engels als wereldtaal bereikt zal worden.

Maar al die dingen bewegen zich enkel rondom een centraal punt: een soort zelfhaat bij veel Nederlandstaligen: ""Weg met ons''. Zolang het Nederlands in de hersens van zoveel mensen onder Engels, Duits en Frans ligt, is genezing moeilijk. Het aantrekkelijke van een taal en een cultuur is een soort optelsom van afkomst, aantal sprekers, geografische omvang en kwaliteit.

Aan het aantal sprekers valt iets te doen: de ABN-verspreiding in Vlaanderen is daarom voor alle Nederlandstaligen van het allergrootste belang. De hoge frequentie daar van tussentaaltjes is erg in ons nadeel.

Strenge selectie op kwaliteit van Nederlandse kunst, in het buitenland vertoond, is eveneens mogelijk. Een goed doordacht taal- en cultureel beleid in het buitenland is de basis van alles. Maar uiteindelijk moeten mensen die in zichzelf geloven dat alles dragen.

Een goed beleid dient voor de heersende anglomanie therapieën te vinden.