Zwart geld (2)

Nadat meneer Geld een oud buffet heeft opgekocht, ontdekt hij in een verborgen laatje een dikke enveloppe met bankbiljetten, zoals hij ze nog nooit eerder in zijn leven heeft gezien.

Hij is razend nieuwsgierig. Zou het "zwart' geld zijn waar de belastingdienst niets van mag weten, of zou iemand het in de oorlog hebben verstopt? In zijn eentje komt meneer Geld daar nooit achter. Daarom gaat hij aan het eind van de middag op bezoek bij een goede kennis, meneer Olieman, die onder andere handelt in munten en postzegels. Samen bekijken ze de stapel verkreukelde biljetten.

“Het is uit de oorlog”, zegt de muntenhandelaar beslist. “Er zit noodgeld bij dat door de Duitse bezetter in omloop is gebracht. Kijk, op deze biljetten van vijfentwintig gulden, die midden in de oorlog door de Nederlandsche Bank zijn uitgegeven, staat een meisje afgebeeld. In de wandeling noemden de mensen dit biljet Het prinsesje, omdat de koninklijke familie naar het buitenland was gevlucht en de huidige koningin Beatrix toen net was geboren. Van de Duitsers mocht je niet over de Oranjefamilie praten. Zulke bankbiljetten moet jij als jongetje nog wel gezien hebben.”

Meneer Geld schudt zijn hoofd. “Vlak na de oorlog waren wij straatarm. Een biljet van vijfentwintig gulden zag je niet elke week.” Hij pakt een paar andere biljetten. “Belgisch”, zegt zijn kennis, “en er zit ook waardepapier uit Hongarije bij.”

“Waarom zou iemand dat geld in of kort na de oorlog hebben verstopt”, peinst meneer Geld. “Zo heb je er toch niets aan?”

Meneer Olieman weet het ook niet. “Waarschijnlijk is het van een zwarthandelaar geweest”, oppert hij. “In de oorlog was op het laatst bijna niets meer te krijgen. Alles was op de bon. Uitsluitend tegen inlevering van door de overheid uitgedeelde bonnen kon je wat zeep, brood enzovoort krijgen. Daarnaast ontstond een levendige "zwarte handel'. Het was verboden, maar wie geld genoeg had kon nog steeds dingen kopen, ook als hij niet over de benodigde bonnen beschikte. Sommige zwarthandelaren maakten een fortuin. Na de oorlog kwam er een geldzuivering. Alle bankbiljetten werden door nieuwe vervangen. Wie bij inlevering van zijn oude biljetten niet kon aantonen dat hij daar eerlijk aan was gekomen, kreeg een hoge boete en moest veel extra belasting betalen. Misschien dat de vorige eigenaar het na de oorlog niet aandurfde om dit geld om te wisselen voor nieuwe biljetten. Of hij is in de hongerwinter doodgegaan, zonder iemand de plek te vertellen waar hij een deel van zijn kapitaal had verstopt.”

“Zou het tegenwoordig veel waard zijn?” vraagt meneer Geld praktisch. “Je kunt het niet meer omwisselen tegen geldende bankbiljetten”, vermoedt meneer Olieman.

“Wat moet ik er dan mee doen?” vraagt meneer Geld. “Er zijn vast wel verzamelaars die er een bod op willen doen. Zal ik eens voor je rondvragen?” zegt zijn kennis. Een paar dagen later belt hij terug. “Ik heb een paar belangstellenden gesproken”, meldt hij. “Ze komen vanavond bij je langs.”

(wordt vervolgd)