Zonsopgang gezien vanaf de Kamikura-San

Onigiri aten we, tot stompe driehoekjes geknede, gekookte witte rijst omwonden met dunne blaadjes gedroogd zeewier. Hoewel ik 's morgens vroeg zelden last heb van waanideeën, vreesde ik dat het mijn laatste maaltijd zou zijn, na omwille van de zonsopgang ooit een berg, eigenlijk meer een zeshonderd meter dikke heuvel, beklommen te hebben.

Een dun oranje ooglid valt langzaam dicht en doet onderweg nog even een partje mandarijn na. 8 Augustus '91, kwart over vijf 's morgens: zonsopgang op de Kamikura, net zoals de Fiji in het spraakgebruik van de respectvolle aanvulling san voorzien, omdat hij heilig is. Hij staat aan de rand van Shingu, een kleine stad aan de oostkust van het driehoekige schiereiland Wakayama, onder Nagoya en niet zover van Nara zullen we maar zeggen. Wie niet toevallig in Shingu moet zijn, zal er ook nooit vanzelf komen. Hoewel het geen onbelangrijke plek is want volgens de legende is in deze streek de stammoeder van Japan, de godin Amaterasu oomikami, geboren.

Wie met alle geweld de zonsopgang vanaf de heilige berg wil zien, kan dat evenmin aan het toeval overlaten.

De weg naar boven lijkt wel een echte trap. Na enkele tientallen meters denk je dat nog steeds, alleen worden de treden dan hoog. Noodgedwongen gaat het in trager en breder tempo verder. Je zoekt de laagste gedeelten van de treden op, totdat ook die steeds hoger worden. De knieën moeten nu flink worden geheven, de adem wordt navenant korter. Omkijken doet constateren dat terugkeren te veel in het oog loopt. Zelfs een Hollander schaamt zich niet graag in Japan, dan liever de lucht in. Een maar al te logische gedachte neemt bezit van het stug doorklimmende brein: “hoe kom ik ooit weer beneden!”

Boven wacht de tot een mooie steen, ter grootte van een forse hooiberg, getransformeerde god Takakuraji no mikoto. Wij groeten hem eerbiedig en trachten daarin een blik van verstandhouding onder te brengen. Het ontbijt wordt genuttigd, we stellen ons op voor het obligate fotografische souvenir en nemen de lift naar beneden. Was het maar waar. Nu moet er met de zwaartekracht mee geklauterd worden. Met behulp van alle dertien ledematen druip ik van kei tot kei, omringd door de eerste ochtendjoggers. Als gazellen wippen ze van steen tot steen, als vogeltjes klinkt hun opgewekt Ohayo!. Of het echt als een "goede morgen' afloopt, zal later en lager blijken. Tot de laatste steen onder mij is. Kamikura-San heeft het wel eens anders gezien.

Elke achtste februari wordt het feest Himatsuri gevierd. Heel Shingu kleedt zich die dag in het wit en brengt de tijd door met het eten van witte spijzen: tofu, shiroi kamaboko (spierwitte "viskoek'), rijst uiteraard en het drinken van witte drank waar niets beter op lijkt dan doorzichtige sake. Tegen de avond verzamelen de mannen zich boven op de heilige berg, de sake gaat mee.

De terugweg is tijdelijk afgesloten, er worden fakkels uitgereikt en het drinken wordt voortgezet. In de dicht op elkaar gepropte massa beginnen de erfruzies en andere onenigheden vorm te krijgen. Opstootjes en handgemeen ontstaan, totdat het weghalen van de versperring de massale ren bergafwaarts ontketent. Scheldend en schreeuwend, stompend en schoppend tuimelen de witte woeste kerels de berg af.

De fakkelzwaaiende horde wordt van beneden gadegeslagen door de rest van de stad. Het is meer vallen dan opstaan maar ernstige ongelukken schijnen niet voor te komen, dankzij de ontspannende werking van de sake en een dikke bolle ceintuur die als stootkussen werkt.

Vroeger stond de eerst aankomende een kilo rijst te wachten, tegenwoordig alleen de eer. Zelfs bij elkaar opgeteld is dat oneindig veel minder dan de winnaar van de race die voor deze wedstrijd model heeft gestaan, ontvangt. Die gelukkige is de enige spermatozo die dat ene, enkele vrouwelijke eitje mag bevruchten.

In het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam wordt vanavond om zeven uur de film Himatsuri van Mitsuo Yanagimachi ('84) vertoond. Opgenomen in en om Shingu, naar een scenario van de bekende schrijver Kenji Nakagami. “Een allerminst lieflijk beeld van bestaande en wankelende Japanse tradities.”