Verplicht theaterbezoek bestaat niet meer; Newspeak en lege boekwinkels in Bulgarije

In Bulgarije staan de boekwinkels leeg en hebben niet veel mensen tachtig cent om een concert te bezoeken. En wie wel tachtig cent heeft, die wil niet naar muziek luisteren, die wil geld verdienen. Bulgarije is onvoorbereid ten prooi gevallen aan een bikkelhard en vulgair kapitalisme. “Maar,” zegt Blaga Dimitrova, vice-president en dichteres, “het is nog lang niet de dood van de Bulgaarse cultuur.”

“De cultuur staat in de achtertuin”, zegt Vassil Breskovski. “Er is geen geld voor. Er is ook geen belangstelling voor. Geld is koning, in Bulgarije, en de cultuur is zijn eerste slachtoffer.”

Breskovski heeft zich de afgelopen maanden de benen uit het lijf gelopen om dit jaar voor de 23ste keer het Muziekfestival van Sofia te organiseren. In het verleden was dat nooit een probleem: onder het socialisme werd cultuur gesubsidieerd, er werden enorme bedragen aan besteed, want het muziekfestival, en cultuur in het algemeen, verhoogde het prestige van Bulgarije. Grote namen waren te koop - en ze werden gekocht, de Karajans, de gerenommeerde orkesten, geld was geen probleem. Zelfs vorig jaar nog, toen dat socialisme al was gevallen en de broekriem op elk gebied werd aangehaald, was er nog veel geld voor het Muziekfestival van Sofia, het grootste van het land.

Dit jaar, zegt Breskovski, adjunct-directeur van het festival, een magere jongeman in een piepklein kantoortje naast het onder het socialisme uit louter marmer opgetrokken cultuurpaleis in Sofia, dit jaar was het anders: het ministerie van cultuur had nog maar één miljoen leva, 80.000 gulden, voor het festival over. De gemeente kwam met een even groot bedrag over de brug. Voor de rest van het benodigde geld moesten de organisatoren zelf maar zorgen.

Breskovski en zijn baas, Petar Stoepel, hebben hun best gedaan, ze zijn maandenlang bedrijven en instellingen afgelopen, maar ver zijn ze niet gekomen: ze kwamen uit op 5,5 miljoen leva, 440.000 gulden, voor een festival dat de hele maand juni duurt, met 31 voorstellingen, concerten, opera, ballet, wat poëzie. En voor 5,5 miljoen leva koop je geen dure namen. En dus hebben Vassil Breskovski en Petar Stoepel het moeten doen met jonge, veelbelovende kunstenaars die nog niet zo duur zijn, mensen als de Israelische pianist Tomer Lev en de Israelische dirigente Gisele Ben-Dor, ze zijn heel goed, zegt Vassil Breskovski, en je hoort een ondertoon van lichte wanhoop: “Ze zijn heel goed, je zult nog van hen horen.” Het buitenland heeft nog geholpen, zegt hij, een Argentijns ensemble kon komen dank zij een subsidie van 20.000 dollar van het Argentijnse ministerie van buitenlandse zaken en het Barbican Piano Trio kreeg van de British Council duizend pond voor de reis en duizend pond voor het verblijf.

Nog iets anders is veranderd: de belangstelling voor het festival valt tegen, zegt Vassil Breskovski. Vroeger, onder het socialisme, moesten speciale ordebewakers en de politie op straat de orde handhaven als er een concert werd gegeven, kaartjes waren alleen op de zwarte markt te krijgen. “Nu komt er niemand meer. We vragen tien leva (tachtig cent) entree, het is niets. Maar tien leva is voor veel Bulgaren al meer dan ze kunnen missen.” Hij lacht wat bitter: “Er zijn rijke mensen, de nouveaux riches. Maar zij gaan niet naar een concert. Ze hebben het te druk met geld verdienen.” In het Westen wordt cultuur door bedrijven gesponsord. Hier niet, zegt hij, want er zijn nauwelijks bedrijven, de bedrijven die er zijn kunnen niets missen en het sponsoren van cultuur wordt ook in de wet niet aangemoedigd. En ik weet, zegt hij, dat overal in Oost-Europa de cultuur in de achtertuin staat, maar nergens is het zo erg als hier, kijk naar de brochure van het Prague Spring Festival, kijk naar het glanzende papier, kijk naar die namen, Maurizio Pollini, Pogorelich. Maar ja, zij hebben al publiek dat tien dollar toegangsgeld kan betalen, Westerse prijzen. Hier is tien leva al teveel. Het ziet ernaar uit, zegt Vassil Breskovski, dat deze 23ste editie van het muziekfestival van Sofia de laatste is.

Bordeel

De cultuur sterft, althans op het eerste gezicht, in het post-socialistische Bulgarije een snelle dood. De Boulevard van de Tsaar-Bevrijder die in Sofia de twee belangrijkste centrale pleinen van de stad met elkaar verbindt is maar honderd meter lang. Vroeger zaten aan deze korte boulevard drie boekwinkels en twee muziekzaken. Ze zijn alle vijf verdwenen: alleen de namen zijn er nog, "Boekhandel' staat er, of "Bulgaarse Literatuur'. Onder die neonletters die nooit meer branden gaapt nu achter vuil glas de leegte, of er zitten boetieks.

De boek- en muziekwinkels zijn het slachtoffer van de restitutie. Alle in de jaren veertig door de communisten onteigende panden worden teruggegeven aan de oude eigenaren of hun erfgenamen. Die geven die panden een nieuwe bestemming, of - en dat gebeurt vaker - ze vertienvoudigen de huren, die vervolgens niet meer kunnen worden opgebracht door de oude huurders. Op massale schaal worden aldus in heel Sofia winkels gesloten: boekwinkels, maar ook broodwinkels, groentewinkels, slagerijen maken plaats voor zaken die onveranderlijk shop, boetiek of gallery heten. Veelal vinden de oude/nieuwe eigenaren geen huurder: in elke straat staan wel twee of drie winkelpanden leeg. Aldus worden in de Bulgaarse hoofdstad vlees, groenten en brood, maar ook boeken en platen en cassettes vooral op straat verkocht en nog maar zelden in een winkel.

Wat er in Sofia nog aan boeken te vinden is, vind je vooral in de Graaf Ignatiev Straat, in de open lucht, uitgestald op dertig, veertig houten tafels. Maar het aanbod heeft weinig meer te maken met dat in de winkels van vroeger: er liggen avonturen- en spionageromans, thrillers, stripboeken, seks en porno, don't-worry-be-happy-literatuur zonder diepgang, aangevuld hooguit met een verdwaalde bijbel en wat woordenboeken. Klassieken ontbreken, zowel de Bulgaarse als de internationale.

Op andere gebieden is het al niet anders. Bioscopen sluiten, de slachtoffers van de video-revolutie die de Bulgaren voornamelijk porno-, kung fu- en Amerikaanse politiefilms heeft gebracht. Concertzalen blijven leeg omdat tien leva teveel geld is. Orkesten worden "geprivatiseerd', een eerste stap op weg naar hun einde. Theaters sluiten: vroeger, ten tijde van het socialisme, organiseerden vakbonden in de bedrijven verplicht theaterbezoek, in het kader van de socialistische cultuurbevordering. Nu houden de vakbonden zich uitsluitend met geld bezig, zoals elke Bulgaar zich uitsluitend met geld bezig houdt - bezig moet houden zelfs. In een land dat zo onvoorbereid en hulpeloos ten prooi valt aan een bikkelhard en vulgair kapitalisme als Bulgarije, een land waar 89 procent van de bevolking onder het sociale bestaansminimum leeft, is geen geld voor cultuur. Wat bloeit zijn hooguit de popcultuur, de nachtclubs, de seksshows: Sofia heeft inmiddels, in een zijstraat van de Vitosja Boulevard, de Via Veneto van de stad, een heus bordeel, het eerste.

Dood

Blaga Dimitrova is het er niet mee eens: de Bulgaarse cultuur heeft het moeilijk, zeker, en ze wil ook niet ontkennen dat die boeken- en platenwinkels verdwijnen en dat theaters en bioscopen dichtgaan. Ze wil ook niet ontkennen dat in het nieuwe Bulgarije geld koning is en de cultuur zware klappen krijgt. Het is triest, zegt Blaga Dimitrova, want het waren de culturele persoonlijkheden die hier het socialisme ten val hebben gebracht. Maar, zegt ze, het is nog lang niet de dood van de Bulgaarse cultuur.

Blaga Dimitrova is een struise vrouw met blond haar en groene ogen. Ze is vice-president van Bulgarije. Ze is ook een van 's lands belangrijkste dichters en schrijvers, dit jaar nam ze deel aan Poetry International. Ze is gelukkig met die uitnodiging, zegt ze, in haar werkkamer tegenover het kolossale vroegere hoofdkwartier van de partij, ik ben er heel blij mee, ik kan even weg, terug naar mijn grote liefde, de poëzie.

Het valt wel mee met de dood van de Bulgaarse cultuur, zegt ze. “Er zijn ergere tijden geweest. De censuur van vroeger was erger. De manipulatie. De manier waarop dichters werden gedwongen te liegen en een onwerkelijke werkelijkheid weer te geven. Ikzelf ben twintig jaar geleden heel ziek geweest, ik had kanker en mijn leven stond op het spel. Ik heb toen gedacht: ik heb mijn hele leven semi-waarheden geschreven, semi-woorden, maar als ik deze operatie overleef zal ik dat mezelf nooit meer toestaan, ik zal alleen nog maar de waarheid schrijven.”

Ze overleefde de operatie, en in 1973 verscheen haar belangrijkste roman, Het Gezicht, over een communistische activist met een geweten. Het werd gepubliceerd dankzij een domme censor, maar nauwelijks lag het in de winkels of het regime kwam in actie en nam zoveel mogelijk exemplaren in beslag. “Het verdween in onze eigen Bulgaarse boekengevangenis”, zegt Blaga Dimitrova. “Het is daar acht jaar gebleven, in goed gezelschap trouwens, in gezelschap van de bijbel en het boek van Zjeljoe Zjelev (de president van Bulgarije) over het fascisme, en de satire van Rodoj Ralin, en het dagboek van Bogdan Filov, de premier die na de oorlog door de communisten is doodgeschoten.”

Het was een test, zegt Blaga Dimitrova, en zo is ook de huidige tijd met zijn cultus rond het geld een test. “Een schrijver overleeft altijd, en nu zal blijken wie talent heeft en wie niet, wie een geboren dichter is en wie niet.” Onder het socialisme, zegt ze, werden onze schrijvers en dichters gekocht, het regime gaf hun geld en prestige en vrijheid van reizen in ruil voor lofzangen. Ik neem het die schrijvers niet kwalijk, zegt ze, je moest sterk zijn om weerstand te bieden aan de verleiding de wereld te zien, ze werden er schizofreen van, ze leefden in één wereld en schreven in een andere. De vrije markt is een plek van wolven, zegt Blaga Dimitrova, maar materiële moeilijkheden kunnen talent niet doden.

Bovendien, zegt ze, de schrijver wachten nieuwe opgaven. Hij heeft zich getraind om waarheden tussen de regels te verstoppen. “Dat hoeft niet meer. De media zijn geëxplodeerd, een vulkaan die soms heel agressief kan zijn. De poëzie is beroofd van haar oude taak, we kunnen de lezer niet meer verrassen, moed is niet langer vereist.” De dichter, zegt ze, moet verhuizen, hij moet het nu in de diepte zoeken.

En hij moet de taal bewaken. “De taal is een mentaliteit, een manier van denken. We moeten ons ontdoen van de oude stereotypen van het socialisme, de totalitaire clichés, maar we moeten ons ook ontdoen van de nieuwe stereotypen, de post-totalitaire newspeak, die stopwoorden die de Bulgaren voortdurend gebruiken, vaak zonder de juiste betekenis te kennen. Alles is nu Engels, we spreken van marketing, rating, image, leader, sponsor, indexation, briefing. We hebben een goed Bulgaars woord voor image, obraz, maar je rating is natuurlijk hoger als je image zegt.”

Tragedies

Als vice-president kan ze niet al te veel voor de cultuur doen, zegt ze. Ze wijst op haar bureau, het is een bureau waar elke dag menselijke tragedies langskomen, zegt ze, en vaak kun je niets doen. We doen nog voortdurend onaangename ontdekkingen, we hebben een weeshuis ontdekt, ergens ver weg in de bergen, waar zestig weeskinderen zaten, aan hun verstand mankeerde niets, zegt Blaga Dimitrova, alleen, niemand heeft in het verleden zelfs maar de moeite genomen die kinderen te leren spreken. Zo gingen de socialisten met dergelijke kinderen om, ze verstopten ze.

Het is prozaïsch werk, zegt Blaga Dimitrova. “Ik was een dissident. Een dissident is een Don Quichotte die de macht bevecht. Plotseling heb ik die macht. Maar mijn vrienden zijn van me weggelopen, ze kunnen zich niet losmaken van het oude denken. We zijn ook maar amateurs, in de politiek. Er moeten jonge deskundigen komen, laten zij het overnemen. Ik heb alleen het verlangen wat morele criteria in de politiek te brengen. Dat lijkt een tegenstelling, maar dat is toch de zin van mijn werk.”

Ze staat op. Ze kijkt om zich heen in het ruime kantoor met de fauteuils en de tv die een debat in het parlement uitzendt. Ze knikt in de richting van het bureau van donker glanzend hout en daarnaast de Bulgaarse vlag. “Ik zie hier nog vaak de geesten van de vroegere communistische activisten”, zegt ze. “Soms, als ik alleen ben, vraag ik me af: lijk ik op hen? En ik ben bang voor de dag waarop ik me die vraag niet meer stel.” Ze neemt afscheid. Ze zegt: “Waarom moet ik de hele tijd aan Sisyfus denken?”