Van oude en nieuwe trauma's

Een nieuw woord uit het therapeutenbargoens is het transgenerationele trauma.

Het kan in dit land van hulpverleners kennelijk niet op. Professor de Levita, die voor dit onderwerp een bijzondere leerstoel kreeg aan de universiteit van Nijmegen, verwacht dat zo'n trauma aantoonbaar is tot in de vijfde generatie. Dit lijkt een oud-testamentische verdoemenis. Hoe absurd en fatalistisch het ook klinkt, het idee is misschien een vanzelfsprekendheid. Ik denk niet dat het zinvol en redelijk is te zeggen dat een tweede generatie het trauma overneemt van de eerste of lijdt onder hetzelfde trauma, want dat kan alleen wanneer het trauma zich herhaalt. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat een tweede generatie getraumatiseerd wordt door de wijze waarop de eerste generatie haar trauma heeft verwerkt. En zo zal de derde generatie weer kunnen lijden onder de wijze waarop de tweede generatie haar verwerking van het lijden van de eerste generatie heeft doorgegeven. Is dat niet ons aller lot.

Terwijl het transgenerationele trauma dus van alle tijden is en de geheime schakel in the great chain of being, acht men het in het bijzonder van toepassing op de geschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog. Slachtoffers zijn de achterkleinkinderen van verzetslieden, landverraders, overlevenden van Duitse concentratiekampen, zwarthandelaren en Japanse interneringskampen. Zij allen lijden onder het feit dat het oorlogsverleden hen niet ongemoeid laat, terwijl zij er niets meer mee te maken hebben want de oorlog is allang voorbij. Maar het verleden wordt op neurotiserende wijze doorgegeven. Bij tijd en wijle lijdt de hele samenleving onder het transgenerationele trauma van de Tweede Wereldoorlog.

De spelers van het Nederlandse en het Duitse voetbalelftal behoren tot de derde generatie. Zo ook het merendeel van hun supporters. Een wedstrijd tussen die elftallen wordt algemeen beschouwd als beladen. Iedereen voelt zich vrij voor een moment een geritualiseerde haat jegens de Duitsers te tonen en de roep om revanche is niet van de lucht, terwijl iedereen weet dat niemand aan de oorlog enige herinnering heeft, die de grove bejegening van elf willekeurige Duitse jongens van de derde generatie ook maar enigszins rechtvaardigt. Het is een pijnlijke en hysterische vertoning, maar juist omdat die vertoning pijnlijk en hysterisch is, is zij het bewijs dat de Tweede Wereldoorlog ons transgenerationeel heeft getraumatiseerd. Een volk dat zo krankzinnig reageert is geestelijk labiel. Neurotischer kan haast niet. Hier wordt ongegeneerd misbruik gemaakt van een verontwaardiging waar men geen recht op heeft en die geleende verontwaardiging moet een moment van smakeloos wangedrag rechtvaardigen. Zo is het leven van een transgenerationeel getraumatiseerde samenleving.

Maar psychologisch gezien is deze periodieke voetbalgekte niet erg interessant. Het is de goedkoopste aanschaf van een nationalistisch sentiment, waar geen enkele cultuur buiten kan, of schijnt te kunnen. Wel is het merkwaardig dat dit sentiment zich zo exclusief hecht aan het voetbal en dat niemand denkt, wat goed dat die Duitsers nu allemaal Cees Nooteboom moeten lezen of gebukt gaan onder inflatie. Dat ziet niemand als hun verdiende loon.

Politie

Er zijn twee aspecten aan het transgenerationele trauma die mij interesseren. Het eerste is dat een volgende generatie van het trauma van de vorige afwil, maar daar kennelijk niet in slaagt of niet in wil slagen. Daar zijn begrijpelijke en toch trieste voorbeelden van. Aan een onderzoek naar psychotherapie met oorlogsgetroffenen, opgesteld door F.A. Begemann, ontleen ik het volgende: een joodse moeder, die het vernietigingskamp heeft overleefd kan haar zelfstandig wonende zoon niet loslaten “Als hij thuis komt van zijn werk, gaat al snel de telefoon en is zijn moeder er weer. Hij móét haar aanhoren. Hij voelt zich schuldig als hij haar probeert af te wimpelen. En als hij de telefoon uit de muur trekt, weet hij dat zij zich geweldig ongerust zal maken. Soms moet je mensen adviseren de politie in te schakelen om hun privacy tegen opdringerige ouders te beschermen.” Het lijkt mij dat men in zo'n geval niet direkt moet spreken van een transgenerationeel trauma, want er is eigenlijk maar één onoplosbaar trauma, waar een volgende generatie alleen de lasten maar niet de verschrikkingen van draagt. Aan hetzelfde verslag ontleen ik ook de volgende passage: “Een na de oorlog geboren vrouw eiste met grote heftigheid dat een vrouw, die als kind in een kamp had gezeten de groep zou verlaten: 'Dit is een groep voor de naoorlogse generatie, dit is mijn groep. Het is jullie schuld dat ik al die problemen heb en ik wil dat je weggaat.' ” Het betrof hier een geval van onwil de zegeningen van een praatgroep te delen. Het gedrag is zeker neurotisch, maar of het getypeerd moet worden als een transgenerationeel trauma in engere zin betwijfel ik. Het is het zoveelste voorbeeld van een dagelijks generatieconflict, dat haastig toegeschreven wordt aan bijzondere omstandigheden. Maar het is de vraag of die bijzondere omstandigheden niet gekoesterd worden om een normaal conflict interessanter en langduriger te maken.

Er is echter nog een ander aspect aan het transgenerationele trauma, dat veel tragischer is. Dat lijkt mij in het bijzonder van toepassing op kinderen van NSB-ers en kinderen van overlevenden van een vernietigingskamp. Ik geloof niet dat zij in de eerste plaats last hebben van hun ouders en dus bij voorbeeld niet goed raad weten met hun wrok, gevoelens van misdeeldheid, rancune of overbezorgdheid. Daar is immers nog wel mee te leven. Hun probleem is veeleer de onvermijdelijkheid het lot van de vorige generatie op zichzelf te betrekken, of zij dat nu willen of niet. Dat de omgang tussen de generaties stroef verloopt door een gebrek of een overdaad aan mededeelzaamheid, waarover veel wordt geklaagd, is op zichzelf niet zo bijzonder, want kenmerkend voor elk generatieconflict. Het is het probleem van de dwingende identificatie. Het lot van een kind van een landverrader is niet benijdenswaardig. Men is niet zomaar het kind van iemand die een vergissing heeft begaan, zoals men het kind kan zijn van iemand die zijn vermogen heeft verspeeld. Het is een schande, die men niet binnen de familie kan houden omdat eigenlijk bij elke voetbalwedstrijd om zijn hoofd wordt geschreeuwd. Als hier sprake is van een trauma, is het een nieuw en geen transgenerationeel trauma.

Over het lot van de tweede of derde generatie joodse oorlogsslachtoffers heeft Alain Finkielkraut een fascinerend en onthullend boek geschreven dat net in een overigens voortreffelijke vertaling onder de titel De imaginaire jood bij uitgeverij Contact is verschenen. Openhartig vertelt hij hoe hij zijn puberale angst voor onbeduidendheid bestreed door identificatie met het "mysterieuze, interessante en buitengewone lot' om joods te zijn. Hij was de overlevende van algemeen erkende catastrofe, die hem aanzien gaf. Een omstandigheid die zijn onfortuinlijke leeftijdgenoten moesten ontberen. Finkielkraut voelde zich daar niet onbehaaglijk bij. In die zin is een transgenerationeel trauma aan hem voorbijgegaan en hij meent dat hij daar ook geen recht op heeft. Maar wat werkelijk beklemmend is, is dat er een maatschappij heeft bestaan waarin de moord op joden officieel en zakelijk werd geambieerd en uitgevoerd en dat deze maatschappij geen enkele aanwijzing bevat en kan bevatten dat een plotselinge omslag van gewaardeerd medeburgerschap in moordobject niet meer kan plaats vinden, hoe luidruchtig een overwinning op het Duitse elftal ook wordt gevierd. Zo'n trauma is niet transgenerationeel maar permanent.