Turks / Duitse actrice en schrijfster; Özdamar verliest een taal en vindt in Berlijn een nieuwe

AMSTERDAM, 26 JUNI. “In mijn taal betekent tong: taal. Een tong heeft geen botten. Hij draait zich waarheen men hem draait. Ik zat met mijn gedraaide tong in deze stad Berlijn. Negercafé, arabieren te gast.”

Zo begint het eerste boek Mutterzünge van de toneelspeelster Emine Sevgi Özdamar. Een Turkse toneelspeelster die sinds vijftien jaar in Duitsland woont en werkt. Een immigrante, een 'gastarbeider': “ook al is mijn positie duizend maal luxer dan die van het gros van mijn landgenoten”, zegt ze.

Özdamar bracht een kort bezoek aan Amsterdam als deelnemer aan een forum op de Feministische Boekenbeurs. Ze is er een opmerkelijke verschijning: wapperende haren, heftige gebaren. “Ik vind het wel grappig hier,” zegt ze. “Al die vrouwen: het heeft iets van een Turks bad.”

Özdamar schrijft in het Duits. Vreemde sprookjes en verhalen, waarin Duitse en Turkse elementen door elkaar lopen. In haar boek Mutterzünge gaat een Turkse boer op weg met zijn ezel omdat hij gehoord heeft dat het in Duitsland parels regent. “Neem een huis mee uit Duitsland,” zeggen zijn dorpsgenoten. De boer is zwijgzaam. Hij wil niet praten. Maar zijn ezel kletst hem de oren van het hoofd in een vreemde, eigengemaakte taal. Eenmaal in Duitsland ruilt hij zijn ezel voor een Opel Kadett. Ook de auto praat.

Taal. Het verliezen van taal, het vinden van nieuwe. Dat is het hoofdthema van haar werk. Een Duitse criticus schrijft: “Een etiket als "gastarbeidersliteratuur' is bij schrijfsters als Özdamar niet meer van toepassing. In Europa, waar steeds meer immigratiestromen samenkomen, kan men niet meer spreken over één cultuur waartegen men zich keert of waaraan men zich aanpast. Vele schrille stemmen in gebroken Duits bepalen de werkelijkheid in ons land.” Özdamar knikt: “Het is fascinerend te bedenken dat de enige taal die vijf miljoen emigranten in Duitsland met elkaar gemeen hebben, het Duits is. Grieken, Turken, Marokkanen. Iedereen vertelt zijn eigen beelden, zijn eigen ervaringen, in het Duits. Daarmee ontstaan er nieuwe ritmes, nieuwe kleuren. Er ontstaat een nieuwe taal. Het is als een dans die zich kleurt. Ook met fouten. Want in de fout zit onze identiteit. We moeten niet bang zijn voor het maken van fouten. Het is het enige dat we hebben.”

“De fout, het gebroken Duits, de gedraaide tong. Daarin zit hem ook de humor,” zegt Özdamar. “Humor en grappen zijn een voorwaarde voor mensen die moeten overleven. Zelf heb ik het makkelijk. Ik ben geprivilegieerd. Maar ik zie bijvoorbeeld bij mijn landgenoten in Duitsland hoeveel humor ze hebben, hoeveel Witz. Hoe ze lachen over zichzelf en hun situatie in korte gedichtjes, gezegden, uitspraken. Zo moet ik ook altijd lachen om het woord: gastarbeider. Je bent óf gast óf je bent arbeider. De enige overeenkomst is dat een arbeider ontslagen kan worden en dat een gast op een gegeven moment toch ook terug moet naar huis.”

Op haar negentiende ging Sevgi Özdamar voor het eerst naar Duitsland. Ze werkte in een fabriek en woonde in een huis samen met tachtig andere Turkse vrouwen. “Die ervaring is voor mij heel belangrijk geweest. Voor het eerst kwam ik in aanraking met de levensverhalen van vrouwen waar ik in mijn eigen land nooit mee geconfronteerd zou zijn. Wat me opviel waren vooral de verschillen. Er waren lesbische vrouwen die hun land ontvluchtten, boerenvrouwen, vrouwen die wachtten op hun man. Daar zaten we, met zijn allen in de jungle. Een onbekend land, waarvan we de taal niet kenden.”

Een van de meest verschrikkelijke aspecten van emigratie, zegt Özdamal, is de dwang die uitgaat van het moederland om te presteren: “Als je in Turkije dertig jaar hebt gewerkt en geen huis bezit zegt niemand dat je stom bent. Als je in Duitsland werkt ben je dat wel.”

Het is tijdens dit eerste verblijf in Duitsland dat Özdamar tegen haar grote passie oploopt: het toneel. Het was uiteindelijk haar passie voor Brecht, die haar na een toneelcarrière in Istanbul tien jaar later terugdreef naar Duitsland. Ze ging studeren bij een leerling van Brecht in Oost-Berlijn. Later werd ze actrice in West-Duitsland. “Door Brecht ben ik verliefd geworden op de Duitse taal. Als ik het van de televisie geleerd had, of van de discussies van politici, zou ik bang geworden zijn van de arrogantie waarmee er in Duitsland naar de wereld gekeken wordt. Maar ik leerde de geënsceneerde woorden. Zo heb ik de tragedie van de Duitse geschiedenis door zijn taal leren kennen.”

Juist het schrijven in de taal van een land waarvan Özdamar zegt dat het "onthoofd' is en hersenloos - “omdat ze met het moorden van het nazisme ook hun eigen geheugen hebben opgelost” - geeft haar vrijheid. “Omdat ik niet in die taal ben opgegroeid doet het geen pijn. Het heeft geen herinnering, geen jeugd, geen dwang.” Misschien daarom kan Özdamar in haar boeken zo indringend de pijn en ook de kracht beschrijven van het eeuwige op drift zijn van die steeds grotere groep mensen die tegenwoordig niet meer "gastarbeider' maar allochtonen heten.