Stekelvreugd

Het stekelvarken was neerslachtig

Want het vond alle dieren prachtig,

Maar niet zichzelf, met al die pennen.

Ik zal er, zei hij, nooit aan wennen:

Ieder heeft aan mij een hekel,

Want 'k heb geen plekje zonder stekel.

Men zegt: hij is niet zonder charme,

Maar niemand kan me ooit omarmen

Zonder zich aan mij te prikken;

Dat maakt kinderen aan het schrikken,

En dan gaan ze aan de haal

Voor ik zelfs maar naar ze taal.

Ik weet het, riep de stekelbaars,

Wat jij daar zegt is iets heel waars,

Maar over zee, vol zout en pekel,

Daar ligt 't Lustoord van de Stekel,

Waar ieder wezen stekels heeft.

Ja, stekels heeft daar al wat leeft:

Het stekelpaard, de stekelkoe,

En ook de stekelkangoeroe,

De stekelwolf, de stekelkemel,

De stekelvogels in de hemel,

De stekelhond, de stekelkat,

De stekelmuis, de stekelrat,

De stekelram, de stekelooien,

Hun vachten vol met stekelvlooien,

De stekelspin, de stekelmier -

En zelfs het stekelbuideldier.

Ik weet niet wat je ervan vindt,

Maar daar woont ook het stekelkind,

En als het waar is van die charme,

Dan zal het je meteen omarmen.

En buitendien, onthoud dat goed,

Je hebt geen stekels op je snoet.

Yolande

Bijt op haar tanden.