Politieke klasse en Oranjehordes

Tweemaal in één maand heeft Denemarken geschiedenis gemaakt. Eerst heeft het, door zijn neen tegen Maastricht, het Europese eenwordingsproces in de war gebracht. Drie weken later heeft het Nederland, de gedoodverfde winnaar van het toernooi, beroofd van de kans op het Europese kampioenschap voetballen.

Nu, dat laatste gun ik de Denen van harte. Niet dat ik zo pro-Deens ben, maar de Nederlandse voetbalarrogantie hing mij mijlen de keel uit. Nu maar hopen dat de Denen ook de Duitsers verslaan. Niet dat ik zo anti-Duits ben, maar het is altijd goed wanneer groten lesjes krijgen van kleinen.

Overigens ben ik van mening dat, als de regeringen van de Europese Gemeenschap inderdaad de Europese eenheid willen bereiken, ze onmiddellijk die wedstrijden om het Europese kampioenschap moeten afschaffen. Ze geven voedsel aan het ergste Neanderthalnationalisme.

Nergens openbaart zich de kloof tussen deze vox populi en de elite die Maastricht heeft bekokstoofd, op gapender wijze. Nederland mag blij zijn dat het geen referendum kent. Goed, de Oranjehordes zouden bij een referendum waarschijnlijk niet naar de stembus gaan, maar de afstand tussen "Den Haag' (om niet te spreken van "Brussel') en hen wordt daar niet minder groot door. Elk ogenblik kunnen die hordes ook om politieke redenen uit hun holen komen.

Maar de poltieke klasse blijft navelstaren. Te vrezen valt dat zij ook met haar unanieme veroordeling van het optreden van de mariniers in Rotterdam niet bepaald een reactie onder het grote publiek weergeeft. Want evenzeer valt te vrezen dat heel veel mensen denken: wat die mariniers deden (of wilden doen) mag weliswaar niet, maar het is toch goed dat ze het deden (of probeerden).

Zeker, de politieke klasse kon niet anders dan die veroordeling uitspreken, maar daarmee heeft zij nog niet de oorzaak van het onbehagen waaraan de mariniers uiting gaven, weggenomen. Er liggen werkelijke, oprechte grieven ten grondslag aan de onvrede die mensen in de richting van Janmaat drijft.

Dat zijn, zoals Rob Meines in de krant van 23 juni schreef, “tamelijk doorsneemensen, die zich echter misleid, miskend en ook bedreigd voelen (...). Begrip voor hun denken, vooral voor de oorzaken ervan, is wellicht effectiever dan het doodzwijgen ervan”. Maar de politieke klasse heeft voor het laatste gekozen, in de mening dat alleen allochtonen en junkies recht hebben op ons begrip. Die mening zal zeker eens als een boemerang gaan werken.

Deze maand bracht ons nog iets: de 25ste verjaardag van het Interkerkelijk Vredesberaad. Ik ben niet de enige die het daarmee gelukwenst. Blijkens een advertentie in de krant van 22 juni doet de ambassadeur van Duitsland in Israel dat ook. Hij schrijft: “Het IKV heeft laten zien te leven in een modern Europa: boven nationalisme en ideologische bekrompenheid. We hebben de kracht van het IKV nodig om de kansen van de grote veranderingen in Europa te benutten en de problemen van vandaag aan te pakken zonder politiek opportunisme”.

Een mooi compliment. Maar wat heeft de Duitse ambassadeur in Israel met het IKV te maken? Dat zal iedereen zich afvragen die niet weet, of zich niet herinnert, dat Otto von der Gablentz (dat is die Duitse ambassadeur in Israel) van 1983 tot 1990 ambassadeur in Nederland was (wat die advertentie niet vermeldt).

Wanneer je dat wèl weet, dan krijgt die advertentie een pikant tintje. Het IKV mag dan nodig zijn “om de kansen van de grote veranderingen in Europa te benutten” - veranderingen overigens die het met zijn actie tegen de middellange-afstandsraketten in Europa eerder heeft vertraagd dan verhaast - tijdens von der Gablentz' ambtsperiode in Nederland heeft het, juist door die acties, zich niet bepaald populair gemaakt bij von der Gablentz' superieuren: de heren Kohl en Genscher.

We moeten daarom bewondering hebben voor de moed van ambassadeur von der Gablentz. Zijn felicitatie zal bij de regeerders in Bonn (om van die in Den Haag maar te zwijgen) waarschijnlijk niet in erg goede aarde vallen. Zijn carrière zou er wel eens opnieuw een knak door kunnen krijgen. Opnieuw, want zijn plaatsing in Den Haag werd destijds ook al als een degradatie beschouwd voor de man die jarenlang eerste adviseur op buitenlands-politiek gebied was geweest van Kohls grootste rivaal en voorganger, bondskanselier Schmidt.

Daar moet onmiddellijk aan toegevoegd worden dat hij meer gedaan heeft voor Duitslands goede naam in Nederland dan enige Duitse ambassadeur vóór hem, maar helaas niets wat niet door één voetbalwedstrijd tussen Nederland en Duitsland weer ongedaan gemaakt kan worden.