Politie stelt zich in op criminele netwerken

Om het toenemend aantal criminele netwerken in Nederland het hoofd te bieden moet de politie afscheid nemen van de traditionele vormen van misdaadbestrijding. Volgens H. Janse, plaatsvervangend directeur politiezaken in Rotterdam, wordt de opsporing van wapens naar de achtergrond gedrongen, terwijl accountants en fiscalisten hun intrede doen in het politiekorps.

ROTTERDAM, 26 JUNI. Op het witte schrijfbord aan de wand staat een ingewikkelde schets: pijltjes, afkortingen, wat doorgehaalde woorden en hier en daar een naam. De politie bezint zich op het takenpakket en de werkverdeling. Zij een georganiseerd netwerk, wij een georganiseerd netwerk, lijken de pijltjes te zeggen.

Vooralsnog beschikt de politie over “volstrekt onvoldoende informatie” om inzicht te krijgen in de omvang en samenstelling van criminele netwerken in Nederland. Door deze betrekkelijk on-Nederlandse vorm van misdaad moet "de rechercheur', en met hem het apparaat, langzaam van gedaante verwisselen, zegt plaatsvervangend directeur politiezaken H. Janse op het hoofdbureau in Rotterdam.

“We weten wel welke mensen bezig zijn met verdovende middelen of met fraude”, zegt Janse, “Maar over zaken als het witwassen van geld of milieucriminaliteit is onze informatie zeer beperkt. Er zijn in Nederland geen vaste afspraken over verzameling en verwerking van deze informatie. En als het gebeurt is het alleen vanuit de traditionele kijk op criminaliteit.”

Zijn collega T. Reitsma, die in Rotterdam-West de laatste twee jaren het aantal drugs-afrekeningen sterk heeft zien toenemen, beaamt dat de politie ver achterloopt bij de ontwikkelingen. “Er ontstaat een circuit waar wij het zicht niet eens op zijn kwijtgeraakt, maar waarop wij nog helemaal geen zicht hebben.”

In Nederland zijn volgens de Rotterdamse politie ongeveer vijftig criminele organisaties bekend die voldoen aan de kenmerken van een misdaadsyndicaat. Deze organisaties zijn hiërarchisch opgebouwd, straffen afvallige leden, vervangen door de politie opgepakte personen, houden zich bezig met substantiële corruptie en wassen op grote schaal geld wit.

Volgens Janse is de flexibiliteit van deze syndicaten er de oorzaak van dat de politie zich op dit moment bezint op de kwaliteit van de misdaadbestrijding. “Deze organisaties worden niet in het leven geroepen om zo hard mogelijk te werken, dus moeten ze de prijs hooghouden. Ze streven naar een monopoliepositie. Daardoor worden ze heel flexibel. De ene keer dit delict, de andere keer dat delict. Het is maar net waar ze een gat in de markt zien. Meestal zijn dat sectoren waar de overheid geen vinger achter kan krijgen: prostitutie, drugsbeleid, gokken, maar ook chemisch afval.”

De vroegere hoofdcommissaris van de Rotterdamse politie J.A. Blaauw zei onlangs in een interview dat een van de oorzaken van het grote aantal moorden in Rotterdam is dat er te weinig aan het opsporen van illegale vuurwapens wordt gedaan. Reitsma: “Dat is de traditionele benadering. Daarbij ga je uit van symptoombestrijding, maar die heeft alleen zijdelings te maken met de oorzaken.”

Het zuivere recherchewerk voldoet allang niet meer, vindt ook Janse. “Hooguit om één moord op te lossen of een zending drugs te onderscheppen. Vroeger werkten we dader- of delictgericht, nu steeds meer netwerkgericht. Dat betekent dat het onderscheppen van een koerier of een andere persoon die laag in de organisatie zit van minder belang is dan het opsporen van de opdrachtgevers.”

Langzaam maar zeker is de interesse van politie en justitie aan het verschuiven naar het opsporen van geldstromen, bankrekeningen, boekhoudingen en het aanleggen van profielschetsen van organisaties. Janse: “Als er in een district drie mensen op een hoop worden gevonden, zoals eerder dit jaar in Rotterdam, kun je dat geen crime passionnel meer noemen. Je kunt niet meer zeggen: jammer, Reitsma, tien moorden in jouw district. Je wilde zo graag, nou mag je ze oplossen. Er is meer aan de hand. Je wordt gedwongen anders te denken.”

De zware misdaad in Nederland is zich naar de mening van Janse zo'n vijf jaar geleden begonnen te organiseren. De politie zoekt daarop een antwoord. “We hadden een afdeling verdovende middelen, een afdeling fraude, verschillende districten. Wij zijn ons de laatste jaren steeds meer bovenlokaal gaan ontwikkelen. We hebben contacten met de douane, de FIOD, justitie, financiën, bancaire experts. De kennis is er wel, maar iedereen werkt nog delictgericht: de afdeling fraude doet alleen fraude. De vraag is hoe je al die verschillende specialisten bij elkaar brengt. Onze teams moeten veel flexibeler worden samengesteld.”

De ommezwaai bij de politie veroorzaakt voorlopig vooral frustratie en verwarring binnen het korps, zegt Janse. “In 1963 liet Jan Blaauw nog anderhalf jaar onderzoek doen naar een afschuwelijke moord op een vrouw en twee kinderen. Nu zeggen we: je moet na veertien dagen toch echt een beetje kijk op een zaak hebben, want er liggen er weer drie op de mat. Een liquidatie is voor ons niet meer dan de opstap naar een onderzoek. Dat betekent dat een geweldige verandering in de bedrijfscultuur.”

Reitsma kreeg dit jaar met vier onderzoeken te maken waarbij een verband werd gelegd met verdovende middelen. “Ik had geen rechercheur meer in de wacht. Als er binnen een paar weken geen kans op succes is, is het over en sluiten. Dat betekent niet dat het meteen helemaal wordt opgegeven. Je moet je met de eerste klap goed documenteren. Sporen bewaren en conserveren, alle getuigen horen die je kunt vinden. Dat kun je over het algemeen in een dag of veertien doen. Als je dan geen duidelijke lead naar een oplossing hebt moet je stoppen. Zo hebben we vorig jaar een zaak opgelost van acht jaar oud in Hoogvliet. Die zaak is goed opgezet en geconserveerd. Je kunt niet meer een jaar lang twintig man op een zaak zetten. Dat is onbetaalbaar.”

Voordat de "ambtenarencultuur' bij de politie is omgeschakeld naar een modern en flexibel werkend bedrijf, zal er nog veel moeten veranderen, zegt Janse. “We moeten ophouden met allerlei rechtspositionele belemmeringen te verzinnen. De roosterindeling, de inconveniëntentoeslag, de overuren. We moeten eens af van die constructies met roostertjes en beloninkjes. Daar zitten weer allerlei registratiesystemen achter, die ons van het werken afhouden. Het bedrijf heeft het arbeidsproces dus niet goed ingedeeld. De fouten zijn in het verleden gemaakt. Het overleg werd gevoerd door politiemensen, niet door managers.”