Nederland, het Cuba van de architectuur; De tijd heeft stilgestaan

Jonge Nederlandse architecten putten onbekommerd uit het vormenarsenaal van het modernisme - dat is althans de bewering van Rem Koolhaas en van de tentoonstelling "Modernisme zonder dogma' in het Nederlandse Architectuurinstituut. Platte daken en strookramen zijn "goed' omdat ze ooit zijn geïntroduceerd door architecten die het beste met de wereld voor hadden, zadeldaken en zuilen zijn "slecht', omdat ze werden gebruikt door Albert Speer en andere verderfelijke architecten.

Tentoonstelling: Modernisme zonder dogma. Een jongere generatie architecten in Nederland. T/m 2 augustus in Nederlands Architectuurinstituut, Westersingel 10, Rotterdam. Di t/m za: 10-17 u., zo 11-17 u. Prijs catalogus ƒ 29,50.

"Hoe modern is de Nederlandse architectuur?' Deze vraag, die een beetje doet denken aan "hoe lang is een Chinees', stelde de architect Rem Koolhaas twee jaar geleden op een congres dat bij zijn afscheid als hoogleraar van de Technische Universiteit Delft was georganiseerd. Koolhaas constateerde dat in de Nederlandse architectuur het "heroïsche modernisme', zoals het Nieuwe Bouwen uit de jaren twintig en dertig tegenwoordig al veelzeggend wordt genoemd, nog steeds inspiratiebron is. “Hoe kan het in godsnaam dat uitgerekend in deze eeuw die volledig bepaald wordt door instabiliteit en verandering (-) gebouwen over de periode van nu bijna een eeuw op elkaar lijken?”, vroeg hij zijn gehoor bijna vertwijfeld. Ook vond hij het onbegrijpelijk dat er nog steeds geen "ideologische reactie' was gekomen op het verdwijnen van het socialisme, dat "in bijna alle gevallen de latente voeding en rechtvaardiging is van onze moderne architectuur (-)'.

Het waren lastige vragen die Koolhaas stelde en de op het congres aanwezige critici en architecten kwamen er niet helemaal uit. Nog steeds breken ze er zich hun hoofd over. Ook over de tentoonstelling Modernisme zonder dogma. Een jongere generatie architecten in Nederland, die nu in het Nederlands Architectuurinstituut is te zien, werpen Koolhaas' vragen hun schaduw. Eerder deed deze expositie dienst als de Nederlandse inzending voor de Architectuurbiënnale van vorig jaar in Venetië. "Meesters en leerlingen' was het thema van de biënnale, maar in Nederland, zo staat te lezen op het tekstbord in het Architectuurinstituut, speelt de meester-leerling-verhouding nauwelijks een rol: “De meeste lering wordt uiteindelijk getrokken uit de "lessen' van de moderne architectuur, nog steeds de dominante traditie in Nederland.”

Aan de hand van het werk van 10 bureaus wil de tentoonstelling laten zien wat Koolhaas al vaststelde: jonge Nederlandse architecten - "jong' blijft men in de bouwkunst tot een jaar of 45 - putten onbekommerd uit het vormenarsenaal van het modernisme. Er is geen sprake van een generatiekloof, schrijft Hans Ibelings in de catalogus, de jonge architecten plegen "geen intellectuele vadermoord'. Alleen speelt het idealisme dat eerdere generaties met die vormen verbonden - heldere witte gebouwen van beton, staal en glas voor een betere wereld - geen rol meer bij de jonge architecten.

Populisme

Op Modernisme zonder dogma is van verschillende kanten kritiek geleverd. Het felst was Janny Rodermond, die in november 1991 in De Architect schreef dat het "een vorm van architectuurhistorische prostitutie is om architecten als Koen van Velsen, Arets en Van den Bergh en Benthem/Crouwel onder één paraplu te willen vangen'. Hun werk en dat van Van Berkel wordt onrecht aangedaan door ze in de traditie te plaatsen van het modernisme, vindt zij. “Er wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid om te onderzoeken of sommige Nederlandse architecten niet op eigen benen kunnen staan, of eerder aansluiting zoeken bij andere tradities, inspiratiebronnen of theoretische kaders.”

Wim van den Bergh, op de tentoonstelling vertegenwoordigd met een niet uitgevoerd ontwerp dat hij samen met Wiel Arets maakte voor de Jan van Eyck Academie in Maastricht, sluit zich bij de kritiek van Rodermond aan. “"Modernisme zonder dogma' is een sausje dat over al die individuele architecten wordt uitgegoten, maar het zegt eigenlijk heel weinig. Natuurlijk is iedereen in zekere zin schatplichtig aan de eerste modernisten. Maar het modernisme is nu een verteerde en geaccepteerde vormentaal. Daar maakt niemand zich toch meer druk over.

“Ook ik heb architecten die ik bewonder. Le Corbusier, Louis Kahn, Ludwig Mies van der Rohe en John Hejduk horen daarbij. Maar delen van hun werk gebruik ik niet letterlijk, hoogstens in een vertaalde vorm. Als ik een ontwerp maak, wil ik niet alleen voldoen aan het programma van eisen, maar probeer ik een concept te formuleren, dat als basis moet dienen voor heel het ontwerp, als de grond van waaruit je het hele ontwerp kunt "doordenken'.

“Het was interessanter geweest als de tentoonstelling de verschillen in benaderingen van de jonge architecten had laten zien. Of welke kansen jonge architecten in Nederland, mede door middel van beurzen en startsubsidies krijgen. Want dat is in het buitenland wel anders.”

Ook Ben van Berkel, van wie drie ontwerpen in het Architectuurinstituut zijn te zien, voelt zich niet thuis onder de noemer "modernisme zonder dogma'. “In Nederland neem ik een geïsoleerde positie in”, zegt hij. “Ik heb mijn opleiding niet gehad in Delft of Eindhoven, maar in Londen en Zwitserland en Nederlandse modernisten als Duiker en Oud zeggen mij weinig. Ik ben natuurlijk wel geïnteresseerd in aspecten van het werk van bepaalde architecten. Dat kan van alles zijn: onderdelen uit het oeuvre van Le Corbusier en van Palladio of de tekeningen van Borromini. Maar je moet voorzichtig zijn met "lenen', je moet die interessante aspecten transformeren. Een eigen standpunt is belangrijk.”

In zijn bijdrage aan het afscheidscongres van Rem Koolhaas zei Van Berkel: “Ik ben waarschijnlijk meer gevormd door de televisie, muziek, winkelcentra, het vliegtuig, de eerste maanlanding, Heidegger, de telefoon, de Neo-Aristotelische filosofie, de kunst van de laatste twintig jaar, auto's en autowegen, en al die belangrijke zaken die geen plaats hebben in een schema over architectuur. Hoe belangrijk is zelfs in Nederland het Nieuwe Bouwen in het dagelijks leven van zelfs een architect, vergeleken met het belang van de veranderingen in de wereld sinds het Nieuwe Bouwen?”

Trabant

En toch: wie de tentoonstelling in het Architectuurinstituut bezoekt, ontkomt niet aan de indruk dat het modernisme nog steeds met ijzeren vuist regeert in Nederland. Platte daken, strookramen, kolommen waarop het gebouw rust, glazen wanden, onversierde gestucte wanden - deze typisch modernistische stijlmiddelen komen in vrijwel elk ontwerp op de tentoonstelling voor. In het werk van Herman de Kovel, een van de drie architecten van het bureau DKV (Dobbelaar, De Kovel, De Vroom), duiken ze vanzelfsprekend op. Hij vindt immers dat "de moderne architectuur' nog steeds dienst kan doen als inspiratiebron "wanneer ze maar steeds opnieuw geïnterpreteerd wordt'. En in het werk van Mels Crouwel zijn ze evenmin een verrassing. Zijn bijdrage aan het Koolhaas-congres, getiteld Vijf punten over de architectuur, een verwijzing naar Le Corbusiers beroemde "5 points d' une architecture nouvelle', klinkt als een strijdbaar functionalistisch manifest uit de jaren twintig. Alsof de tijd zeventig jaar heeft stilgestaan, luiden de eerste drie punten: “(1) Het bereiken van optimale bruikbaarheid moet het belangrijkste doel zijn bij ieder gebouw. (2) De gebruikte materialen en constructies moeten geheel op het bereiken van dit doel zijn afgestemd. (3) Schoonheid komt voort uit de directe relatie tussen gebouw en doel; uit de natuurlijke kenmerken van het materiaal en de sierlijkheid van de constructie.”

Maar ook in het ontwerp van Van den Bergh en Arets voor de Van Eyck Academie zijn de stijlmiddelen van het Nieuwe Bouwen gemakkelijk aan te wijzen. Soms neigen ze zelfs naar citaten. Zo lijkt de vorm van de langwerpige, smaller wordende balkons ontleend aan de appartementen van de Italiaanse modernist Adalberto Libera in Ostia uit 1933 en brengt de tekening van het kolommenwoud dat het langwerpige blok ondersteunt het ontwerp van Giuseppe Terragni voor het Danteum uit 1938 in herinnering.

Het werk van Van Berkel valt inderdaad uit de toon op de tentoonstelling, maar ook dit kan met wat moeite tot "modernistisch' worden bestempeld. Zijn lijstje van inspiratiebronnen lijkt in veel opzichten op een eigentijdse versie van dat van dingen als vliegtuigen, auto's, oceaanstomers, machines en kranen, die de eerste modernisten in vervoering brachten. En de onregelmatige geometrie van Van Berkels deconstructivisme is uiteindelijk ontleend aan het werk van Malevitsj, Tatlin en Lissitzky, de grondleggers van het Russische modernisme.

Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de ontwerpen zichtbaar op de tentoonstelling. Het gegolfde dak geeft het door Mecanoo ontworpen horeca-paviljoen aan De Boompjes in Rotterdam bijvoorbeeld een frivoliteit die ontbreekt in de woningbouw op het Ammersooiseplein van DKV in dezelfde stad. Maar net als alle andere kunstenaars hebben architecten de natuurlijke neiging om hun eigen standpunt als uniek te beschouwen en de verschillen met hun collega's te overdrijven. Hierin lijken ze op de vroegere DDR-burgers, die hun Trabanten voorzagen van race-strepen, Volkswagenwieldoppen, zonneschermen en extra koplampen. Voor de trotse autobezitters ging het om essentiële verschillen, voor westerlingen bleven al die wagens toch in de eerste plaats Trabanten.

Wat de Nederlandse architectuur internationaal gezien curieus maakt is dan ook niet de diversiteit - die treft men in misschien wel ruimere mate ook in andere landen aan - maar het nog steeds allesoverheersende modernisme. Of men dit nu "modernisme zonder dogma' noemt of, zoals de criticus Joost Meuwissen, "pluriform, geïndividualiseerd modernisme' maakt niet uit, het bijzondere is dat het postmodernisme, dat in de jaren tachtig zo succesvol was in landen als Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk, vrijwel onopgemerkt aan Nederland is voorbijgegaan. Vreemde gebouwen als Alberts NMB-bank of feestarchitectuur als Sjoerd Soeters speelautomatenhal in Zandvoort zijn niet meer dan incidenten en als er in Nederland een modern-classicistisch bouwwerk wordt gerealiseerd, is het altijd naar het ontwerp van een buitenlander als Ricardo Bofill of Charles Vandenhove. Nederland heeft geen eigen tempelbouwers die, al dan niet gesteund door prins Willem Alexander, de moderne architectuur de oorlog hebben verklaard.

Triomfaal

Een bezoek aan de tentoonstelling in Rotterdam leert ook dat de door Koolhaas gewenste "ideologische reactie' op het verdwijnen van het socialisme onder de jonge architecten is uitgebleven. Maar op Koolhaas' vraag hoe het toch mogelijk is dat het Nieuwe Bouwen in Nederland nog steeds vrijwel de enige inspiratiebron is, geeft Modernisme zonder dogma geen antwoord. Dit heeft te maken met het verschil in waardering van Koolhaas en de tentoonstellingsmakers voor het huidige "waardenvrije modernisme'. Voor Koolhaas is het huidige modernisme een probleem, voor het Architectuurinstituut niet. Noemt Koolhaas het een "triomfalistisch modernisme, totaal ongevaarlijk, van zijn tanden ontdaan, gesteriliseerd', in de catalogus bij de tentoonstelling staat: “Het resultaat van deze liberale en onbelaste omgang met de architectuur van het recente verleden is een modernisme zonder dogma, inventief en met een grote formele rijkdom.”

Voor de verstandigste antwoorden op Koolhaas' vragen is men tot nu toe aangewezen op de artikelen van criticus Hans van Dijk, eerst Het onderwijzersmodernisme, zijn bijdrage aan het Koolhaas-congres, en onlangs Het Nederlandse modernisme en haar legitimiteit, verschenen in Het Architectuurjaarboek 1991-1992.

Met de Sovjet-Unie en Duitsland was Nederland het enige land waar de moderne architectuur in de jaren twintig een heuse "beweging' was, schrijft Van Dijk. Maar terwijl het modernisme in de jaren dertig in Duitsland en de Sovjet-Unie door nazi's en communisten werd verboden en weggevaagd, bleef het in Nederland bestaan. Wel moesten de modernisten hun werk steeds rechtvaardigen, in de jaren dertig tegenover de Groep van '32, die voor een terugkeer van het ornament en het classicisme pleitte, na de Tweede Wereldoorlog tegenover het traditionalisme van de Delftse school: “Iedere generatie pakte de moderne architectuur op als een strijdbaar project en telkens werden haar uitgangspunten in heel hun ideologische zuiverheid gerecapituleerd.”

Maar na het emeritaat van Granpré Molière in 1953 nam de tegenwerking van het traditionalisme af en omstreeks 1970 was het modernisme geheel geaccepteerd, niet alleen binnen de opleidingen maar ook door de opdrachtgevers. Sindsdien hoeft het modernisme zich niet meer te bewijzen. “De oude vijanden van de moderne architecten, classicisme en traditionalisme, waren verslagen, de nieuwe vijanden, populisme en postmodernisme, werden buiten de deur gehouden”, schrijft Van Dijk. Alleen enkele columnisten en de dichter Gerrit Komrij hebben zich ertegen verzet, maar die konden als niet-deskundigen gemakkelijk worden genegeerd.

Het resultaat van het ontbreken van "gevaarlijke vijanden of inspirerende reveilbewegingen' is dat het modernisme is ontaard in wat Van Dijk het "onderwijzersmodernisme' heeft genoemd. Doordat het zich niet meer hoeft te rechtvaardigen, is het modernisme niet meer een intellectuele traditie, maar alleen nog een vormtraditie, die wordt overgedragen door het merendeel van de opleidingen en door de architectenbureaus waar de afgestudeerden terechtkomen. Vol bewondering spreken docenten en oudere architecten over gebouwen als de Van Nelle-fabriek en sanatorium Zonnestraal, maar voor de studenten zijn die gebouwen slechts een soort vakantiedia's. Maar al gelooft niemand meer in de dogma's van de vroege functionalisten of in de "maakbaarheid van een egalitaire, rechtvaardige maatschappij', er bestaat toch "een haast intuïtief besef van wat in de architectuur betamelijk is en wat niet, gelegitimeerd door een even ongearticuleerde herinnering aan de juistheid van de ideologische pretenties die de moderne beweging tijdens haar hoogtijdagen haar monumenten gaf.' Grof gezegd: platte daken en strookramen zijn "goed' omdat ze ooit zijn geïntroduceerd door architecten die het beste met de wereld voor hadden, zadeldaken en zuilen zijn "slecht', omdat ze werden gebruikt door Albert Speer en andere verderfelijke architecten.

En zo werd Nederland het Cuba van de hedendaagse architectuur. Maar net zoals Castro na de val van de Berlijnse muur moeilijk tijden doormaakt, zo is het modernisme sinds het Koolhaas-congres niet meer zo vanzelfsprekend als het decennia lang was. Iets wezenlijks is er in de Nederlandse architectuur nog niet veranderd, zo laat de tentoonstelling in Rotterdam zien, maar het modernisme staat in ieder geval weer ter discussie.