Militaire uitgaven toets voor hulp

DEN HAAG, 26 JUNI. Nederland wil bij de vaststelling van hulpgelden nagaan hoeveel geld het betreffende land aan militaire uitgaven besteedt.

In besprekingen met een aantal landen is die relatie al gelegd, maar in een brief aan de Tweede Kamer schrijven de ministers Van den Broek (buitenlandse zaken) en Pronk (ontwikkelingssamenwerking) dat de meeste gegevens over militaire uitgaven verouderd zijn en daarom niet bruikbaar zijn. Zij willen bovendien de uitkomst afwachten van onderzoeken op dit terrein door het Internationale Monetaire Fonds, de Wereldbank en de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

De ministers schrijven dat het ook noodzakelijk is een betere omschrijving te geven van begrippen als overbewapening en legitieme defensiebehoeften. Zij willen nagaan wat de rechtvaardiging is van de tot nu toe gehanteerde verhouding tussen militaire uitgaven en gelden voor onderwijs en gezondheidszorg en van de relatie tussen militaire uitgaven en veiligheid.

In het beleidsoverleg met Angola, Bangladesh, Bolivia, Burkina Fasso, Chili, Egypte, India, Jemen, Kenia, Mali, Pakistan, Peru, Soedan, Sri Lanka en Tanzania zijn de hoge bedragen voor militaire uitgaven al aan de orde geweest. Consequenties heeft Nederland daar nog niet aan verbonden. Het beleid van het korten van hulpgelden bij te hoge militaire uitgaven van het betrokken land moet zoveel mogelijk een gemeenschappelijke doelstelling van de EG worden, zo schrijven de ministers. Japan en Duitsland hebben al criteria ontworpen en richtlijnen gegeven voor het ontwikkelingsbeleid tegenover landen met hoge militaire uitgaven.

Van den Broek en Pronk leggen er de nadruk op dat als Nederland zich verder heeft georiënteerd op dit terrein, een concreet beleid volgt. De toetsing van het bewapeningsniveau en de daaraan te verbinden beleidsconclusies, schrijven de ministers behoedzaam, zal geschieden in overleg tussen de twee ondergetekenden.