Majors prioriteit in EG: de Denen

LONDEN, 26 JUNI. Nog geen vijf weken geleden keek de Britse regering met welbehagen uit naar haar voorzitterschap van de Europese Gemeenschap, dat volgende week begint. De verkiezingen waren achter de rug en de Britse kiezers hadden met een dusdanige meerderheid voor de Conservatieve Partij gestemd, dat John Major daaraan met enige overdrijving - "Europa' speelde nauwelijks een rol in de verkiezingsstrijd - de claim kon ontlenen dat zijn handtekening onder het Verdrag van Maastricht de zegen van het electoraat had gekregen.

Toen kwam het Deense nee en opeens werd alles anders. Overal in de Gemeenschap, en dus ook in Groot-Brittannië, werden weifelaars wakker. In het Lagerhuis haalden de Euro-sceptici diep adem en hervatten zij, gesterkt, hun campagne. John Major bleek aan eigen borst adders te koesteren. Minister Peter Lilley (sociale zaken) en staatssecretaris Michael Portillo (begroting) waren met een tiental andere staatssecretarissen aanwezig op een bijeenkomst van sceptici die "Maastricht' wilden dumpen. Tachtig Tory-opstandelingen zetten hun handtekening onder een motie die de premier opriep "een nieuw begin' te maken.

Zo sterk zwol het koor van critici aan, dat de regering-Major besloot verdere verlegenheid in het aanzien van haar voorzitterschap van de EG te voorkomen. Ze schortte verdere Lagerhuisdebatten over ratificatie van Maastricht op tot in de herfst, Een combinatie van het Ierse "ja', een langdurig zomerreces en voorzitters-vindingrijkheid, die de Denen alsnog bij de les kan betrekken, moet de opstandelingen de wind uit de zeilen nemen. Zestig jeugdige Tory-MP's zijn bovendien door John Major op de lunch gevraagd: of ze in het licht van het Britse voorzitterschap alsjeblieft geen verdere deining wilden maken, was de boodschap.

Wat de Europese Raad in Lissabon dit weekeinde ook oplevert, zeker is dat het Britse voorzitterschap vanaf 1 juli presideert over de potentiële ruïne van "Maastricht'. De positieve uitslag van het Ierse referendum op 18 juni heeft moed gegeven dat het zover niet hoeft te komen. In Londen wordt de behendigheid van Whitehall's ambtenaren in het bedenken van kloofoverspannende, elegante oplossingen genoemd als een van de redenen voor een mogelijk goede afloop voor het verdrag in het komende halfjaar. De tweede sterke troef is de stijl van zakendoen van Major. Na het confrontatiemodel dat de Europese leiders gewend waren van Margaret Thatcher, is het optreden van Major als balsem op gekwetste gevoelens. Britse ambtenaren onderstrepen dat hij goed bevriend is met al zijn Europese collega's en dat alleen dat al de mogelijkheid tot het accommoderen van de Deense bezwaren groter maakt. Het opnieuw binnenboord halen van de Denen in het Europa van de Twaalf wordt naar ieders mening dé maatstaf waarlangs de kwaliteit van het Britse voorzitterschap straks zal worden afgemeten. Het is Majors eerste prioriteit.

Het oproer dat de Denen in hun afwijzing van Maastricht hebben veroorzaakt, gevolgd door de beslissing van de Ieren om op andere gronden het verdrag toch goed te keuren, geeft de Britse regering wel een unieke gelegenheid om tijdens haar voorzitterschap een eigen stokpaardje te berijden. Subsidiariteit, het zoveel mogelijk gedecentraliseerd laten van beslissingen die niet per se in Europees verband hoeven te worden genomen, is in Londen een geliefkoosd woord. Een van de voorstellen die de Britten al hebben bedacht om de Denen te pacificeren is het toevoegen aan het Verdrag van Maastricht van een afzonderlijke verklaring waarin die decentralisatie meer gestalte krijgt. “Wij willen dat principe in elk geval meer coherent toegepast zien dan in het verleden”, zei een bij de onderhandelingen betrokken Britse ambtenaar gisteren. “Het principe moet aan het eind van ons voorzitterschap iets geworden zijn waarmee je uit de voeten kunt.”

Het voorzitterschap biedt eveneens de gelegenheid de puntjes op de i te zetten bij het afdwingen van feitelijke liberalisatie van de interne markt. Tegen december 1992 zijn vrome voornemens niet langer genoeg.

Britse ambtenaren willen er niet van horen dat de regering Major alleen op verbreding van de EG uit is om zo de verdieping van het Europese bouwwerk op basis van de Twaalf te voorkomen. Het heet derhalve in Londen dat er onder Brits voorzitterschap verdiept én verbreed wordt. Desondanks: het streven van de Britten is dat uiterlijk 1993 een begin wordt gemaakt met onderhandelingen met oost- en centraal Europese staten over toekomstige toetreding. Onderhandelingen met de EVA-landen (Zweden, Finland, Zwitserland en Oostenrijk) zullen als het aan de Britten ligt al volgende week beginnen.

Tenslotte moeten de GATT-onderhandelingen tot een goed eind worden gebracht. Volgens Londen is er in de bevroren onderhandelingspositie tussen de EG en de Verenigde Staten “ruimte om tot een overeenkomst te geraken.”

Hoe zal Major omgaan met de pressie uit zijn eigen partij om "Maastricht' open te breken en een nieuw begin te maken? Commentator Hugo Young van The Guardian wees deze week op de constante in Majors politiek gedrag: “Krabachtig in zijn benadering van Europa, molachtig in zijn timiditeit ten aanzien van de veronderstelde skepsis in het land, maar meedogenloos in beweging, hoe ver ook onder de oppervlakte, in maar één richting.” Dat wil zeggen: richting verenigd Europa.

Major zelf begrijpt die metafoor uit het dierenrijk maar al te goed. Op zijn aandringen is voor het logo voor het Britse voorzitterschap de afbeelding van een “energieke, levendige en intelligente leeuw” gekozen. De bedoeling is dat een heuse welp op 1 juli a.s. ritueel rooms-katholiek gedoopt wordt door de staatssecretaris voor Europese Zaken, Tristan Garel-Jones. Maar wat dat betreft begint het Britse EG-voorzitterschap mogelijk weinig voorspoedig: vier zwangere leeuwen in Longleat Zoo weten al sinds Kerstmis vorig jaar dat ze de taak hebben voor 1 juli te bevallen, maar Longleat heeft nu laten weten dat het onzeker is of ze kunnen gehoorzamen. Als alternatief heeft de dierentuin een giraffebaby aangeboden, maar zo ver steekt niemand in Whitehall zijn nek uit.