Lood op het leisteen; Negentig beelden van het Stedelijk Museum in de Nieuwe Kerk

Nog nooit zijn de beelden uit de collectie van het Stedelijk Museum, van Zadkine's gouden hert tot Walter de Maria's bronzen staven, zo mooi geweest als nu. Want ze worden tentoongesteld in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Vooral de Amerikaanse minimal art doet het goed op de leistenen vloer. “Is het toeval dat deze strenge beelden zich ontpoppen als de moderne kerkkunst bij uitstek?”

Het Beeld van de Eeuw. Beelden uit de collectie van het Stedelijk Museum. Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. T/m 19 aug. Dag. 11-17u. Catalogus prijs ƒ 50,-.

De eerste sculptuur die ik werkelijk zag, staat sinds jaar en dag op de binnenplaats van het Kunstmuseum in Bazel. Zes ter dood veroordeelde mannen, in brons gegoten. Hun gezichten en lichamen drukken wanhoop, opstandigheid, verdriet en gelatenheid uit. Het aangrijpendst is de jongste van hen, bekend als Pierre de Wissant, die zijn hand opheft alsof hij iets over zijn schouder werpt. Hij is de belichaming van de vergeefsheid, de vluchtigheid van het leven dat hij vaarwel moet zeggen. De Burgers van Calais, honderd jaar geleden door Rodin gemaakt, troffen mij als achttienjarige met hevig liefdesverdriet recht in het hart. Voor mijn ogen ontvouwde zich de ellende en machteloosheid waarmee ik sinds kort had kennisgemaakt.

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam is de komende maanden een beeldententoonstelling te zien die deze intense sensatie opnieuw bij mij teweegbracht. Het Stedelijk Museum toont in de kranskapellen, het monumentale schip en het koor negentig beelden uit zijn vijftienhonderd sculpturen tellende collectie - een unicum in de geschiedenis van het museum. Dit van oorsprong katholieke heiligdom aan de Dam werd na de Beeldenstorm een hervormde kerk en herbergt onder meer het stoffelijk overschot van admiraal Michiel de Ruyter, wiens barokke praalgraf de plaats van het altaar inneemt. (Sinds de restauratie 35 jaar geleden worden in de kerk trouwens geen diensten meer gehouden.) Waarom komen de beelden, te beginnen met Degas' baadster en eindigend met het omstreden kitschvarken van Jeff Koons in deze immense vijftiende-eeuwse gotische kerk met haar witte wanden en grijze leistenen vloer zo goed tot hun recht?

Aan het begin van de kooromgang staan de massieve bronzen van omstreeks de eeuwwisseling die alle werden aangekocht door Sandberg. In de neutrale museumzalen en zelfs buiten in de tuin van het Stedelijk zagen deze beelden er lomp en ouderwets uit. Naast de knielende vrouw van Renoir en de Penelope van Bourdelle staat nu één beeld uit De Burgers van Calais: de zogenaamde Sleuteldrager. Ik vond hem vroeger nogal vlak, de minst dramatische van de oorspronkelijke groep, maar nu moest ik denken aan Rilke's beschrijving van hem in een voordracht over Rodin uit 1907. Hij noemde deze bronzen man "een grote kast waarin louter smart ligt opgeslagen'. Zo is het precies.

De massieve bronzen hervinden hun zeggingskracht in de Nieuwe Kerk. Rik Wouters' volksvrouw (1913), die met kolossale gekruiste armen haar zorgen overpeinst, rijst hier meer dan levensgroot op als een zinnebeeld van menselijke waardigheid.

Aan de schaal en het materiaal kan dat niet uitsluitend worden toegeschreven. De terracotta buste van Wilhelm Lehmbruck, niet hoger dan veertig centimeter, had in zijn eentje een hele kranskapel aangekund. Het geportretteerde meisje heeft haar gezicht verlegen van ons afgedraaid, onder haar blote schouders is alleen de aanzet van haar borsten te zien; ze is ontroerend in haar onschuld.

Zwaartekracht

Zou het komen doordat al deze beelden mensen voorstellen, dat ze zo'n direct beroep doen op ons eigen lichaam? Er lijkt een relatie te bestaan tussen hun zwaartekracht en de onze, door de ruimte die ze innemen is er werkelijk sprake van een ontmoeting en, in de beste gevallen, van een confrontatie. Maar meer abstracte beelden, zoals Karel Appels Buste de Femme van vlak na de oorlog, sorteren in de kerk eenzelfde effect. Met maar één oog en zonder armen of romp staat ze tegenover je met dezelfde aanwezigheid als Wouters' realistische vrouw.

Het merkwaardige is dat ik deze beelden dacht te kennen, maar ze krijgen hier een fysieke dimensie die in het moderne museum niet tot zijn recht komt. Behalve aan de hoogte en de atmosfeer van de kerk moet dat ook worden toegeschreven aan de vloer. De grijze leisteen in de Nieuwe Kerk, waarin hier en daar grafstenen zijn verzonken, is de mooiste ondergrond die je je kunt indenken. Brons, steen, hout, maar ook kunststof en honingraten vinden er de perfecte "sokkel'.

Dat besef je vooral bij het bekijken van de tegenhanger van de beschreven klassieke sculptuur, de Amerikaanse minimal art van de jaren zestig en zeventig. Dit werk is grotendeels aangekocht onder directeur Edy De Wilde. Wie had verwacht dat de loden stoeptegels van Carl Andre zo mooi zouden worden op deze kerkvloer? Ik heb altijd gedacht dat de onpersoonlijke sfeer van het museum de geëigende omgeving was voor dit koele beeld. Nu ligt het onopvallend, grijs op grijs, op de stenen ondergrond, onder een enorme vergulde kroonluchter. Alleen het hoogteverschil geeft aan waar de sculptuur begint, terwijl het licht dat door de glas-in-lood ramen valt het lood een zachte glans verleent.

Is het toeval dat de strenge minimale kunst zich ontpopt als de moderne kerkkunst bij uitstek? Misschien is het de calvinistische inslag van deze strenge beelden die zo goed accordeert met de strakke monumentaliteit van dit gebouw.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling vind ik Walter de Maria's installatie uit 1990. De volle lengte van het schip wordt bezet door twintig bronzen staven die telkens met een meter tussenruimte op de vloer zijn gelegd. Het beeld ontrolt zich als een loper van het orgel boven de oorspronkelijke toegangsdeuren tot vlak voor het vergulde koorhek. Als de zon gefilterd binnenschijnt, veranderen de zware staven in glanzend licht. Niet alleen valt de naam van het beeld, Apollo's ecstasy, hier samen met zijn verschijningsvorm, het werk lijkt op maat gemaakt voor dit immense middenpad. Voor mij is De Maria's bijdrage hèt "beeld van de eeuw' waarvan de titel van de expositie rept. Het verleent je dat zwevende gevoel dat wel verliefdheid wordt genoemd.

Kroonluchter

Er zijn ook minder goed ingerichte delen in de kerk, zoals de dooptuin rondom de preekstoel die veel te vol is gestouwd om maar zoveel mogelijk klassiekers uit de collectie te tonen. Gudmundssons poëtische piramides waaruit sierlijke zwanehalzen te voorschijn komen, zijn in een hoekje weggemoffeld, terwijl het duiveltje van Thom Puckey bijna met zijn horens verstrikt raakt in een kroonluchter. En waarom is de raadselachtige rose man van Henk Visch niet opgesteld, evenmin als de met kobaltblauw pigment bestrooide objecten van Anish Kapoor? Jammer is ook dat het begeleidende boek geen kunsthistorische achtergronden over de diverse stromingen biedt - dat was in een collectiecatalogus toch geen overbodige luxe geweest. Maar het is een genot zoveel oude bekenden terug te zien: Paiks TV-Buddha op een grafzerk, het bronzen bed van Wessel Couzijn in de ommegang en de Piano/Hangmat van Oldenburg in het transept. De meeste beelden hebben een zodanige plaats gekregen dat je zou wensen dat ze er voor altijd konden blijven. Voor het mooie, met bladgoud bedekte houten hert van Zadkine is een kerk zelfs een van de weinige plekken waar het geëxposeerd kan worden; omdat het hout nog steeds krimpt, heeft het hert een constante lage temperatuur nodig, die het museum niet kan bieden.

De beelden van het Stedelijk Museum tonen zich in de Nieuwe Kerk op de best mogelijke wijze. Zij doen ons hier ervaren wat Rilke in zijn voordracht over de beeldhouwkunst omschreef als "het grote tot rust komen van nergens heen gedrongen dingen".