JAMES STIRLING 1926 - 1992; Drama en rust

De Engelse architect James Stirling, die algemeen werd beschouwd als een van de aanvoeders van het postmodernisme, is gisteren op 66-jarige leeftijd in een Londens ziekenhuis aan een hartaanval overleden. Nog geen twee weken eerder was Stirling door Koningin Elizabeth geridderd. In 1981 won hij de Amerikaanse Pritzker Prize.

Tot zijn bekendste gebouwen behoren de Neue Staatsgalerie in Stuttgart, het Wetenschapscentrum in Berlijn en voor de Tate Gallery een uitbreiding in Londen en een dependance in Liverpool. Een door hemzelf ontworpen uitbreiding van de Staatsgalerie wordt nu gebouwd.

Na de oorlog ging Stirling architectuur studeren in Liverpool, een faculteit die toen om zijn Modernistische opvattingen bekend stond. Daar werd hij beïnvloed door het werk van Le Corbusier en bouwde vervolgens in diens "Brutalistische' stijl - met wisselend succes. Zijn grootste project in Engeland, een woningbouwproject in het noordoostelijke Runcorn, moet worden gesloopt; zijn omstreden bibliotheek uit 1967 voor de geschiedenisfaculteit van Cambridge University lekte, maar een actie van de bestuurders in 1984 om het te laten slopen, mislukte.

Stirling wees het etiket "postmodern' als onzin van de hand. “Al sinds 1957 verwerk ik historische elementen in mijn werk,” zei hij in een interview in 1986. “Dat hebben architecten door de hele geschiedenis heen gedaan. Pas met de opkomst van de abstracte moderne architectuur van het Bauhaus dachten ze een heel nieuwe taal te hebben uitgevonden. Die taal is te dun gebleken, te minimaal.” Het ontwerpen met associaties naar het verleden omschreef hij als “zoiets als koorddansen, met aan de ene zijde het risico van sentimentaliteit en aan de andere dat van compromissen”.

In 1971 begon Stirling een bureau samen met Michael Wilford. Maar juist in de jaren zeventig raakte hij uit de gratie in Engeland. Wel werd zijn werk in het buitenland nog gewaardeerd, en hij kreeg belangrijke opdrachten in Duitsland en Amerika, bijvoorbeeld gebouwen voor de prestigieuze universiteiten Rice, Cornell en Harvard. In 1977 won hij de prijsvraag voor de Staatsgalerie Stuttgart, een natuurstenen burcht als een collage van archetypes uit de architectuur, waarin hij neo-klassieke beelden, een golvende glazen pui en pijpen en relingen in fel groen en roze combineerde. Zijn opdracht in 1980 voor de Clore Gallery, waarin de Tate zijn Turner-collectie heeft ondergebracht, werd beschouwd als zijn Engelse comeback. Gevraagd naar de waarden die hij in zijn gebouwen vertegenwoordigd wilde zien zei Stirling: “Ik zou graag een architectuur maken die het "high-tech' met het vertrouwde combineert. Ik streef naar drama, maar ook naar raffinement en rust.”