Inhaalrace tegen zware criminaliteit

DEN HAAG, 26 JUNI. Van de bestrijding van zware criminaliteit komt in Nederland nog maar weinig terecht. Dat zei directeur J. Wilzing van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) gisteren bij de presentatie van het jaarverslag van de dienst over 1991.

Volgens Wilzing is de aanpak van de zware criminaliteit “verwaarloosd geweest” in de periode waarin de politie zich vooral richtte op de kleine criminaliteit. “We zijn nu met een inhaalslag bezig waarvan we in de nabije toekomst de vruchten zullen plukken.”

Volgens Wilzing is sprake van een kentering in de aandacht van de politie van kleine naar zware criminaliteit. Politie en justitie krijgt steeds meer inzicht in de manier van werken van de 59 georganiseerde-misdaadgroepen die in Nederland actief zouden zijn. De manier van onderzoeken verschuift volgens Wilzing steeds meer van de traditionele vormen van het recherchewerk naar financiële opsporing. Daardoor zijn accountantsafdelingen bij politie en CRI overbelast.

Dat de politie toch weinig resultaat boekt in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, is volgens het hoofd van de afdeling misdaadanalyse, A. van der Heijden, eveneens te wijten aan het feit dat de misdaadgroepen de politie tegenwerken.

Dat gebeurt volgens Van der Heijden door bijvoorbeeld "contra-observatie' (van politiefunctionarissen) en het witwassen van drugswinsten langs een groot aantal banken in verscheidene landen. Het is volgens Van der Heijden bovendien gebruik bij de misdaadgroepen in strafzaken altijd in hoger beroep te gaan, zodat het strafrechtelijke traject zo lang mogelijk is en de kans op fouten van justitie zo groot mogelijk. Van der Heijden zei dat het niet ongebruikelijk is dat misdaadgroepen advocatenkantoren inhuren om hun leden bij te staan. “De zware georganiseerde-misdaadgroepen richten zich al lange tijd niet meer op één slag, maar op continuïteit”, aldus Van der Heijden. De CRI constateerde dat de meeste van de 59 misdaadorganisaties in 1991 al langer dan drie jaar actief waren.