In de woestijn (l6)

De vallei was honderden meters breed. Er waren veel zijtakken die je 's nachts niet kon zien al scheen de maan nog zo helder.

Meneer Ali ben Ali ben Ali Tagelmust keek steeds naar de sterrehemel. “De sterren zullen ons de weg wijzen”, zei hij. We werden erg moe van de nachtelijke tocht door de vallei. In de verte hoorden we almaar het angstaanjagende gehuil van de jakhalzen. Het terrein veranderde onophoudelijk. We sjokten door eindeloze zandvlakten en soms was de bodem ineens bedekt met rotsblokken en keien waar we overheen moesten klauteren. We keken jaloers naar Gied Meeuwenoog die niet hoefde te lopen omdat hij vastgebonden was aan de bult van een dromedaris. Wij wilden ons ook wel door een dromedaris laten rijden maar de dieren waren nog steeds bepakt en bezakt al hadden ze geen water meer te dragen.

Eindelijk boog de karavaan af. Meneer Tagelmust had de zijtak van de vallei ontdekt waar zich een bron moest bevinden waarin misschien nog water zat. De zijtak was een smalle kloof. Toen we daarin afdaalden, zagen we ineens een kameel. Het was de renkameel van Aramis, de neef van meneer Tagelmust, die op zoek naar water was gegaan. De renkameel lag op zijn zij. Zijn buik was zo groot en rond dat het leek of hij een voetbal had ingeslikt. Maar Aramis zelf was nergens te bekennen. Wat meneer Tagelmust ook probeerde, het lukte hem niet om de renkameel in beweging te krijgen. We moesten het arme, zieke beest, dat klagelijke geluiden maakte, alleen achterlaten.

Het werd al licht toen de karavaan eindelijk stilhield. Meneer Tagelmust wees op een kom in de rotsen. De kom was gevuld met water! We ontdekten nu ook Aramis. Aramis rende op zijn oom Ali ben Ali ben Ali af om hem te omhelzen. We tilden de geknevelde Gied Meeuwenoog van de dromedaris af en wikkelden het kameelharen touw los. Nadat iedereen zijn dorst had gelest, luisterden we naar het verhaal van Aramis. De renkameel had onderweg van een verkeerd plantje gegeten en daardoor had hij een verstopping gekregen. “Er zijn al heel wat kamelen en dromedarissen gestorven aan het eten van verkeerde planten”, zei meneer Tagelmust somber. “Ik heb voor de zekerheid l44 laxeerpillen meegenomen, geef die maar aan die zieke kameel”, zei Gied Meeuwenoog terwijl hij met een verlekkerd gezicht een paar achtergebleven waterdruppels van zijn lippen likte. Niet lang daarna vielen we in een diepe slaap. En toen we na uren ontwaakten, zagen we de renkameel rondlopen. Zijn opgezwollen buik was verdwenen. Zijn leven was gered door de l44 laxeerpillen van Gied Meeuwenoog.