Het veen is op: Nederlands laatste turfwinning stopt

KLAZIENAVEEN, 26 JUNI. Midden in een Drents heideveld, tussen Zwartemeer en Klazienaveen, staan drie metershoge turfstapels. Uit de verte maken ze een macabere indruk. De stapel rechts is voorzien van een houten "vlam', voorstellende de bloeiperiode van de turfwinning. Op de linker stapel staat een schip, symbool voor het turftransport. De middelste is voorzien van een houten kruis.

De turfkunstwerken staan er ten afscheid. Want op 1 juli is het afgelopen met de veenwinning in het Amsterdamsche Veld, de laatste plek in Nederland waar nog turf wordt gestoken. Het veen is vrijwel op. De turfhopen vormden onlangs het decor voor een ongewone plechtigheid. Dansers en acteurs voerden een ballet en een toneelstuk op, als eerbetoon aan de turf. Het publiek bestond uit toeristen die, op initiatief van de stichting "Veen, zolang het er nog is..', per treintje een rondgang maakten door het veengebied.

De stichting is inmiddels opgeheven, het treintje opgeborgen en de toeristen naar huis. Op de hei is alleen het gebrom te horen van een primitief ogende landbouwmachine die zich met een snelheid van 30 meter per uur een weg vreet door het stoffige bruine veld. De machine is bezig aan zijn laatste rit door de "turfput'. Rechts neemt het grommende gevaarte happen uit het hoogveen, links spuugt het de donkere smurrie als langwerpige bruine broden uit om te laten drogen op het veld. Schijven die aan de arm van de machine meerollen snijden het brood in turven. Achter de machine hobbelt, als een soort slee, een half overdekt schuurtje waar de arbeiders kunnen zitten en zich op koude dagen kunnen warmen aan een potkachel.

Veenbaas Bertus Snippe, opzichter bij de turfwinning, heeft maar één zorg en dat is de toekomst van zijn vijf collega's. Tot eind 1994 hebben zij nog volop werk. De turfputten moeten worden "geschoond', de machines ontmanteld en het spoorlijntje dat de turf afvoert moet worden weggehaald. Dan gaat Snippe, na 42 jaar werk in het veen, met de VUT. Zijn collega's zijn daarvoor nog te jong. Zij krijgen werk in de Purit-fabriek. “En dat valt niet mee na al die jaren in het vrije veld.”

“We zouden nog wel een jaar of tien verder kunnen gaan met de turfwinning”, zegt W. Nijenbrinks, hoofd personeelszaken van Purit in Klazienaveen. Het bedrijf, een vestiging van Norit, gebruikt de turf voor de produktie van actieve kool en heeft de laatste "veenderij' van Nederland in eigendom. “Maar we hebben er voor gekozen om de laatste snippers hoogveen te bewaren als natuurgebied.”

Het einde van de turfwinning in Nederland zal op 1 juli gepaard gaan met een bescheiden ceremonie: de commissaris van de koningin in Drenthe maakt eigenhandig nog vijf stukjes turf die zullen worden opgeborgen in diverse archieven, er is een reünie van oud-turfstekers en er wordt een monument onthuld. Het gebied wordt vervolgens overgedragen aan Staatsbosbeheer, dat de veenputten weer in oorspronkelijke staat - ondoordringbaar moeras - wil terugbrengen. In oude putten is te zien hoe het gebied er uit zal komen te zien: drassige grond, versierd met pollen gras en berken.

Het Amsterdamsche Veld is het laatste restant van het Bourtanger Moor, een moeras dat zich uitstrekte over Zuidoost-Drenthe, Oost-Groningen en een deel van Duitsland. Met 110.000 hectare was het ooit het grootste aaneengesloten veengebied in Europa. Al omstreeks het jaar 1000 had in dit gebied de eerste "ontvening' plaats. Niet zozeer voor de winning van brandstof alswel om de blootgelegde grond te gebruiken voor landbouw.

Het zou tot 1850 duren voordat in Drenthe op grote schaal turf zou worden gestoken. Veel dorpjes in de streek hebben in de laatste decennia hun honderdjarig bestaan gevierd. Klazienaveen bijvoorbeeld werd gesticht door een industrieel die op die plek 2.000 hectare hoogveen kocht en een dorp stichtte dat hij naar zijn moeder noemde. In de tweede helft van de 19de eeuw ging het hard met de veenwinning: in 1926, na de grootste bloeiperiode, was er van het uitgestrekte Bourtanger Moor nog maar 15.000 hectare over. Anno 1992 rest nog slechts 2.000 hectare.

Het verval van de turfstekerij zette in na de Tweede Wereldoorlog, toen kolen furore begonnen te maken als brandstof. De toepassing van gas, weer later, deed de rest. De veenderij van Purit vormde in zekere zin een uitzondering, omdat het uitsluitend voor eigen gebruik turf won en dus niet afhankelijk was van de markt.

Purit heeft jaarlijks 200.000 ton turf nodig voor de produktie van actieve kool. In haar gloriejaren haalde de veenderij 80.000 ton, nu is dat nog 6.000 ton per jaar. De rest van de turf wordt uit Duitsland aangevoerd.“Economisch gezien is de sluiting van de veenderij dan ook van geen enkel belang”, legt Nijenbrinks van Purit uit. “De eigen produktie werd veelal gebruikt als reserve. Het was bijvoorbeeld handig toen actievoerende boeren vorig jaar de grens blokkeerde en import van Duitse turf niet mogelijk was.”

Tijdens een rondgang door de veenputten, elk bijna 2 kilometer lang, wijst veenbaas Snippe naar zand op de grond: “Het veen is echt op. Hier hebben we al iets te veel afgegraven, dan zit je op het zand.” In al die jaren heeft hij nooit iets bijzonders aangetroffen in de bodem. “Dit gebied was vroeger veel te moerassig voor bewoning, het was echt ondoordringbaar.” Meer naar het noordwesten, bij de hoger gelegen Hondsrug, was het droger en was bewoning aan de rand mogelijk. Daar zijn ook de beroemde veenlijken gevonden.

Hoewel Snippe alle belangstelling voor het verdwijnende ambacht van turfsteker aanvankelijk onzin vond, heeft hij er inmiddels “wel aardigheid” in. Voor vaderdag kreeg hij een plakboek om alle kranteknipsels in te bewaren. Maar de kunstwerken van turf - met de vlam, het schip en het kruis - moeten worden afgebroken, vindt Snippe. “Kunst of niet, daar staat voor zesduizend gulden turf, da's zonde om te laten verrotten.”