Het chagrijn is ook in Europa aan de macht

Europa is in moeilijkheden. De politieke leiders wankelen van communiqué naar persconferentie als koorddansers in een circustent vol joelende, tomaten smijtende toeschouwers. Het eindpunt is uit zicht geraakt, Europa als ideaal onherkenbaar geworden. Wat tot voor kort nog kon worden gevierd als de grootste vrijwillige inlevering van soevereiniteit in de geschiedenis, is verschrompeld tot een object van fundamentele onenigheid en frustratie. Nog even en Brussel is een scheldwoord.

Bij dit soort waarnemingen is uiteraard enige voorzichtigheid geboden. Democratieën zijn overal in het Westen stemmingsdemocratieën geworden, waar de macht van het collectieve humeur een niet geringe invloed heeft en media voor een versterking van wisselende humeuren zorgen. In het voorjaar van 1992 is het chagrijn aan de macht, dienstdoende politici zien zich geconfronteerd met de Ross Perots van deze wereld en dat is in het Europa van de Gemeenschap niet anders.

Maar ondanks deze relativering is er in Europa meer aan de hand. De crisis in de Gemeenschap gaat verder dan vorige crises, al was het alleen maar omdat het overkoepelende stootkussen van de Oost-West-verhoudingen is verdwenen. Neem bijvoorbeeld het belangrijkste Europese land, Duitsland. Dat zocht decennialang zijn politiek-psychologische heil bij de Gemeenschap, men was er Europeaan omdat men dan minder Duitser hoefde te zijn. Hoewel dit sentiment in een referendum in Duitsland nog steeds tot uitdrukking zou komen, spreken de concretere opvattingen in dat land boekdelen. Bijna driekwart wil de D-mark behouden, zeventig procent de "volledige soevereniteit' van het eigen land.

In Nederland heeft zich het ontidealiseringsproces van de Europese Gemeenschap in een adembenemend tempo voltrokken. Tot op zekere hoogte was dat verfrissend, want idealisme in internationale verhoudingen belemmert niet zelden het zicht op de werkelijkheid. Nederland heeft in het verleden geen logische Europa-politiek gevoerd. Den Haag was voor toetreding van Groot-Brittannië, voor het politieke primaat van de NAVO en tegelijkertijd voor een supranationaal Europa. Dat gebrek aan logica is geen verwijt, want nergens staat geschreven dat buitenlands beleid logisch moet zijn. Het werkte en daar gaat het om.

Maar deze constructie is vorig jaar met een harde plof ingestort. Het Nederlandse voorzitterschap werd een zes maanden durende confrontatie met de harde werkelijkheid van grote EG-landen, die elk met een eigen agenda de volgende stap in het integratieproces zetten. In zijn compassie met de Britten en de Atlantische belangen enerzijds en het supranationale EG-federalisme anderzijds raakte Nederland verstrikt. Het eindresultaat van alle ongelijksoortige krachten was een curieus Verdrag van Maastricht dat de Duitsers in politiek opzicht niet ver genoeg ging, de Fransen nog gauw een voet tussen de deur van Duitsland liet zetten, Groot-Brittannië de status van buitenlid verschafte en Nederland... ja, en Nederland?

Nederland kreeg een dubbele kater. Om te beginnen is er een algemeen gevoel van machteloosheid. Het Deense "nee' heeft dat gevoel met zoveel woorden geafficheerd, ook al kwam dat uit nog zoveel verschillende overwegingen voort. Het gaat daarbij niet zozeer om een ordinair nationalisme alswel om verlies van geborgenheid, om angst voor marginalisatie. Plotseling wordt zichtbaar dat open grenzen, dat vrij verkeer van personen en goederen, niet alleen in Europese wetsteksten van en voor professoren wordt verwoord, maar dat het van West-Europa immigratiegebied maakt. Plotseling wordt zichtbaar dat de internationale economische wetten geen halt houden bij de grens, dat sociale verzorgingsarrangementen geen vanzelfsprekenheid blijven, dat oude, vertrouwde bedrijven opgaan in internationale verbanden of in de gevarenzone terecht komen en dat nationale overheden niet bij machte zijn om over zulke zaken veel regie te voeren. Internationale verbroedering was heerlijk, maar als het betekent dat toegewijde Polen hier bollen pellen dan wordt het angstwekkend concreet.

"Maastricht' is in vele EG-landen symbool geworden voor dit soort onbehagen en ongemak. Het staat voor een onduidelijk soort internationalisering, voor voldongen feiten en voor een politiek carrousel dat daar nog steun aan betuigt ook. Datzelfde carrousel is inmiddels van de kritiek hevig geschrokken en zoekt een houding. Sommige politici voelen zich als het ware betrapt en putten zich uit in nederigheid. Zo is het bijvoorbeeld niet vrij van ironie om commissievoorzitter Jacques Delors de laatste weken te horen ageren tegen Brusselse regelzucht en Brussels centralisme. De beschuldigingen aan het Brusselse adres hebben inmiddels groteske trekken aangenomen, maar zonder deze seizoensmode kan geen politicus kennelijk het contact met zijn kiezer herstellen. Zonder de plechtig beleden afschuw van het Brusselse funtionarissenwezen krijgt geen premier het Verdrag van Maastricht door de nationale ratificatiemolen.

Het ongemak over "Maastricht' is zoals gezegd in verscheidene landen merkbaar. In Nederland is het allemaal nog wat verwarrender omdat volgens het tot voor kort officieel beleden beleid "Maastricht' eigenlijk bij lange na niet ver genoeg gaat, en volgens het vigerende ongenoegen veel te ver. Als dan ook nog blijkt dat de ingewikkelde waarheid ergens in het midden ligt, dan raakt iedereen het spoor bijster. Het kan politieke partijen eigenlijk amper kwalijk worden genomen dat dat ook voor hen geldt, probleem is alleen dat de kiezer zich bij zijn of haar keuze nu eenmaal op partijen moet richten. Daar zijn ze voor.

In elk geval is van Euro-idealisme weinig meer te bespeuren. De Partij van de Arbeid steunt het Verdrag, omdat Europese integratie “een historische noodzaak” is (aldus fractieleider Wöltgens), waarbij vooral de inkadering van Duitsland zwaar weegt. Helemaal logisch is dat niet, want Duitsland integreert louter op grond van schaalverhoudingen zijn omgeving meer dan omgekeerd en bovendien is het land inmiddels al zo lang een behoorlijke democratie, dat er als het om dit type inkadering gaat betere kandidaten voor integratie denkbaar zijn. Te volgen is het standpunt echter wel, al neemt men op de koop toe dat de omheining van de nationale verzorgingsstaat wordt aangetast en daarmee weer wat regie verloren gaat. De christen-democraten zijn naar buiten toe de meest overtuigde federalisten gebleven. Achter de schermen valt er iets te bespeuren van het verschil in bloedgroepen, achter de schermen roert zich ook de sterk CDA-bevolkte staatsbureaucratie, die uit louter lijfsbehoud het publieke ongemak over het Verdrag van Maastricht met enig genoegen gadeslaat. De liberalen bevinden zich halverwege een herbezinning, die door fractieleider Bolkestein na een heldere midscheepse aanvaring met zijn Europarlementariërs op de partijpolitieke agenda is gezet. De D66 denkt na, maar steunt voorlopig eveneens "Maastricht' met alle gefrons over de afstand tussen politiek-en-kiezer vandien. Vierkant verzet is er alleen bij enkele splinterpartijtjes.

Overzichtelijke verschillen van mening bieden de grote partijen hun potentiële kiezers niet. Dat oogt onbevredigend, maar misschien weerspiegelt het wel een ontnuchterender werkelijkheid dan de vraag pro of contra Maastricht. Hoeveel speelruimte heeft Nederland eigenlijk als het om de Europese gemeenschap gaat? Kan het zich eigenlijk nog wel tegen de zeer politieke EMU verzetten of is de economische integratie zover voortgeschreden dat de prijs daarvan veel te hoog is geworden? Of om deze hypothetische exercitie nog een stap verder te voeren: stel dat na de Denen, ook de Ieren en vervolgens de Britten hadden afgehaakt. Dan zouden de twee resterende gangmakers Frankrijk en Duitsland ongetwijfeld met de oude getrouwen uit de Gemeenschap verder zijn gegaan, misschien zelfs in hoger tempo. Had Nederland zich dan de luxe kunnen veroorloven af te haken, zich te ontkoppelen van zijn geografische omgeving? En zo ja, tegen welke prijs?

Het idee dat zulke vragen kunnen worden omzeild door duidelijke referenda - bent U voor of tegen Maastricht - doet eenvoudigweg geen recht aan de beperkingen waarmee een klein land leeft. Soevereiniteit moet worden gekoesterd waar dat mogelijk is, maar het is geen absoluut gegeven en is dat nooit geweest. Natuurlijk legt een klein land als Nederland in EG-beraad geregeld het loodje en dat is soms frustrerend, temeer omdat Nederland in de jaren vijftig en zestig door de speling van het lot zo'n machtige positie in de EG van de Zes heeft gekend.

Maar tegelijkertijd moet ook niet uit het oog worden verloren dat Nederland zonder Europese Gemeenschap nog vaker het loodje had gelegd. Vroeger kon een belangrijke handelspartner van de ene op de andere dag iedereen overvallen met een quota-heffing, een devaluatie of een eenzijdige daad. Een Franse hefffing op vlees betekende een abrupte verarming voor een Nederlandse exporteur. Nu is het in elk geval zo dat Nederlandse vertegenwoordigers bij het overleg aanwezig zijn, een woordje meespreken, op de hoogte zijn en als ze slim zijn ook nog coalities kunnen smeden of steunen. Het neemt niet weg dat het dan soms des te irritanter is om te worden weggespeeld, maar wie het zogenaamde "democratische deficit' beklaagt, vergeet nog weleens dat er vroeger helemaal niets te klagen viel, omdat het internationale handelsverkeer voor kleine landen toen nog veel meer een kwestie was van voldongen feiten verwerken.

Betekent dit dat Nederland eenvoudigweg niet over Europa hoeft te debatteren, omdat het de volkswil te boven gaat? Nee, integendeel. Juist een publieke discussie is nodig om relevante van irrelevante vraagstukken te scheiden, kosten en baten te analyseren. Misschien gebiedt de eerlijkheid dan wel te zeggen dat de vraag "Bent u voor of tegen Maastricht?' niet relevant is, omdat een staart nu eenmaal niet met een hond kan kwispelen. Zeker is dat niet, want nationale opinies en regeringsopvattingen beïnvloeden elkaar grensoverschrijdend en kunnen een versterkende echo oproepen. In elk geval is het bespreken en uitpraten van zulke kwesties goed om fictie en realiteit te scheiden, zelfs als het een ontnuchterende bezigheid is.

Grensoverschrijdende realiteit is op dit moment al dat het publieke ongemak over de grensoverschrijdende ontwikkelingen toeneemt. Dat is een waarschuwing voor alle politici die nog hadden gehoopt zich door een fikse trap op het gaspedaal snel uit een verontwaardigde menigte te kunnen bevrijden. Het idée fixe dat de Europese integratie in haar tegendeel omslaat indien er nu enige vertraging ontstaat - Helmut Kohl suggereert dat soms - is iets te pathetisch en fatalistisch om als rechtvaardiging voor onbekommerd doorgaan te dienen. Wanneer zoveel zekerheden tegelijk wankelen als sinds het einde van de Koude Oorlog gebeurt, kan het geen kwaad om Europese burgers enige adempauze te bieden. Dat is na alle elan en tempo van het euforische Europa-92-gevoel voor alle deelnemers even wennen, maar het is allesbehalve het begin van het einde.

Het collectieve humeur heeft in de Westerse stemmingsdemocratieën een niet geringe invloed

Zonder de Europese Gemeenschap had Nederland nog vaker het loodje gelegd