Gekrijs van meeuw en regenworm; Handke's rituelen en Tabori's collage

Peter Handke schreef een toneelstuk zonder woorden met als hoofdpersoon een plein, George Tabori laat de acteurs in zijn nieuwe stuk alleen teksten van Kafka uitspreken. De in een kever veranderde Gregor Samsa wordt gespeeld door de invalide acteur Peter Radtke. “Is deze acteur, die de triomf van de geest over de handicaps van het lichaam symboliseert, wel geschikt om de door zijn omgeving tot ongedierte gereduceerde Samsa uit te beelden?” Beide stukken gingen onlangs in Wenen in première.

Handke's stuk is op het repertoire genomen van het Burgtheater, Dr. Karl Lueger-ring nr. 2, evenals het stuk van Tabori, dat wordt opgevoerd in het Casino am Schwarzenbergplatz.

Voor de Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd de wereld een schouwtoneel toen hij jaren geleden in het Italiaanse plaatsje Muggia bij Triëst zat te kijken naar het leven dat zich op het centrale pleintje afspeelde. Dit theater van alledag, zonder verhaal, zonder dramatische ontwikkeling, zonder tekst bracht hem op het idee een toneelstuk zonder woorden, zonder dramatische handeling, zonder hoofdrolspelers te schrijven. Onder de titel Die Stunde, da wir nichts voneinander wussten ging dit vorige maand in de Wiener Festwochen in de regie van Claus Peymann in première.

Zo origineel was dit niet. De Amerikaan Bob Wilson maakt al decennia toneel zonder tekst, het Weense Serapionstheater schiep op dit punt een lokale traditie en Handke zelf schreef meer dan twintig jaar geleden een woordeloze parabel over macht en onmacht: Das Mündel will Vormund sein (De pupil wil voogd zijn), die in 1970, ook in de regie van Claus Peymann, in Frankfurt haar wereldpremière beleefde.

In Handkes nieuwe stuk is de hoofdpersoon het plein. Voor de Weense opvoering maakte Ernst-Karl Herrmann een decor van een geplaveide ronde ruimte met zes vensterloze façades van vrijstaande huizen. In het midden is er een doorkijk naar de zee. Aan de voorkant van het podium loopt een pad schuin de orkestbak in. Op deze min of meer anonieme plek marcheren tientallen mensen aan elkaar voorbij, hebben sommigen woordenloos een vluchtig contact, vindt een enkel dramatisch incident plaats, vallen blaren, ritselen kranten in de wind, zitten mensen te wachten of ijlen juist voort.

In de veelheid van figuren die Handke in zijn poëtische partituur (bij uitgeverij Suhrkamp verschenen) voor het merendeel aanduidt als "ondefinieerbaar' onderscheiden zich een paar doordat zij als type terugkeren. Zo is er een dorpsgek die steeds weer opduikt en anderen nadoet, en een "schoonheid' die zowel in zwakzinnige als zwangere gedaante verschijnt.

Hiernaast is er een groot aantal herkenbare figuren die Handke door associatie uit zijn herinnering, uit zijn droomwereld, laat bovenkomen en die het plein samen met de ambtenaartjes, carrièrevrouwen, vissers, toeristen, filmteams, wandelaars, koks en obers, klanten en werklieden bevolken. Zo springt Papageno uit de Zauberflöte er tussen door en Mozes, kennelijk net terug van de Sinaï, met de Tien Geboden onder zijn arm, Abraham en zijn zoon Izaak die geofferd moet worden, Aeneas met zijn oude vader op zijn rug.

Diergeluiden

Er vallen geen woorden in Die Stunde, da wir nichts voneinander wussten, maar er is wel geluid. In zijn partituur schrijft Handke precies voor welke geluiden zijn stuk moeten begeleiden. Gemurmel, gefluister, sirenegehuil, meeuwengekrijs, donder, geweerschoten, gillend gelach, motorgeronk, kindergejammer en diergeluiden. In de enige grote groepsscène trekt hij op dit punt een lange neus naar zijn regisseur door te decreteren dat deze scène zich moet afspelen tegen een decor van gejammer, afkomstig "van een kind, een olifant, een varken, een hond, een neushoorn, een ezel, een kat, een egel, een schildpad, een regenworm, een tijger, de Leviathan'.

Deze scène, waarin alle meer dan dertig acteurs en actrices die voor het stuk nodig zijn tegelijk op het plein moeten aantreden, glijdt bijna uit in de richting van een dramatische handeling. Uit de zee komt een gondelachtig voertuig, bemand door twee koninklijk uitgedoste Afrikanen. Zij nodigen de groep mensen die op het plein zit te wachten uit om aan boord te komen. Er is een impuls om daarop in te gaan. Maar men schrikt er voor terug. Alleen een scholier wil aan boord rennen. Hem wordt een beentje gelicht. De Afrikanen steken weer van wal en verdwijnen.

Toch een symbolische scène in een stuk dat volgens Handke in een interview met het maandblad Bühne rituelen toont en juist geen symbolen. Het is moeilijk er iets anders in te zien, niet te denken aan bevrijding, verlossing uit het omjammerde plein door een Grand Départ naar een nog ongeschonden paradijs. Maar lang kan zo'n visie niet standhouden. Na de bovenbeschreven scène keert het stuk nog twintig minuten lang terug naar de dagelijkse rituelen van paren en passanten.

Vaak is daarin van allerlei te genieten. De zorgvuldige, de partituur minutieus volgende regie van Peymann in Wenen maakt indruk. Maar de grote gebeurtenis op de planken waar het seizoen 1991/1992 nog altijd op wachtte was Handkes stuk niet. Daarvoor heeft het te weinig vorm, is het te schetsmatig, te verwarrend en vaak te vermoeiend. Al mag er geen woord gesproken zijn, na afloop heeft men het gevoel te lang te hebben moesten luisteren naar loos gebabbel.

Collage

Niemand denkt dit na het zien van het nieuwe stuk van George Tabori, Unruhige Traüme. De tekst van dit stuk is namelijk woord voor woord van Franz Kafka en je kunt je afvragen waarom Tabori zichzelf er de auteur van noemt. Eerder is hij de samensteller van een collage van fragmenten uit "Die Verwandlung', "Das Urteil', "Der Hungerkünstler' en "In der Strafkolonie', misschien wel Kafka's vier belangrijkste korte verhalen. Achtergrond van de collage is vooral het eerstgenoemde verhaal over de handelsreiziger Gregor Samsa, die op een kwade morgen ontdekt dat hij is veranderd in een mestkever.

Als een slijmspoor uit dit verhaal loopt door Tabori's stuk Kafka's hoofdthema: het conflict tussen vader en zoon, die in verschillende gedaantes ten tonele worden gevoerd. De eerste als autoritaire huistiran en circusdirecteur, de tweede als zwak jongmens, dat zich incestueus aangetrokken voelt tot moeder en zuster, als mestkever/ongedierte, als circusartiest/hongerlijder, als object van de martelmachine waarmee in het strafkamp het vonnis in het lichaam van de veroordeelde wordt geëtst.

Zoals bekend houdt Tabori van Freud en de grote zielensmid uit de Weense Bergstrasse was dan ook de medeplakker van deze collage. Alle scènes hebben hun symbolisch karakter in de grote worsteling tussen de Supervader en de onderzoon, die als mislukkeling, kever, parasiet, jood veroordeeld is zonder te weten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. Als de hongerartiest in het circus aan het eind van Unruhige Traüme aan zijn vasten overleden is wordt zijn plaats ingenomen door een zwarte panter. Deze waagt wat de zoon nooit heeft gedurfd: hij springt de vader naar de keel. Maar een "deus ex machina' knalt hem neer.

Boksring

Tabori heeft van zijn stuk geen "kafkaesk' beklemmend theater gemaakt. De handeling speelt zich af in een hel verlichte boksring, waarin zowel de confrontatie met de tot ongedierte verworden Gregor Samsa als het vaak opgewekte spektakel van het circus plaats heeft. De symboliek mag zwaar zijn, het stuk is lichtvoetig en het uitzichtloze, diep treurige einde verplettert de toeschouwer niet. Maar heeft het veel met Kafka te maken? Of is er toneel ontstaan dat Kafka's tekst eer aandoet? Op die vragen kan men met de beste wil van de wereld geen bevestigend antwoord geven. Daarvoor is Tabori's stuk, dat in mei in de repetitieruimte van het Burgtheater in première ging, te weinig subtiel, te nadrukkelijk, te dicht bij smakeloosheid.

Dit laatste wordt versterkt door het inschakelen van de uit München afkomstige invalide acteur Peter Radtke als "ongedierte'. Radtke heeft een normaal gevormd hoofd met daaronder een wat opgepropte borstkas, waaraan twee verkorte armpjes. Onder zijn borstkas bezit hij niet meer dan twee kleine geatrofieerde slappe beentjes. Als mestkever kruipt hij nu onbeholpen over de Weense planken. Maar zijn tekst klinkt sonoor en zijn mimiek is onvergetelijk.

Alleen: is deze acteur, die eerder de triomf van de menselijke geest over de handicaps van het lichaam symboliseert, geschikt om de door zijn autoritaire omgeving tot ongedierte gereduceerde Gregor Samsa uit te beelden? Eigenlijk niet. Tabori had daarover zelf misschien zijn twijfels. Om die te verdrijven liet hij waarschijnlijk zijn hele ensemble het smakeloze studentenlied zingen: "Krüppel haben sowas Rührendes, Krüppel haben was Verführendes' (invaliden hebben iets aandoenlijks, invaliden hebben iets verleidelijks).