Geen poezie op het boekenrekje; Prozadebuut van Charles Ducal

Charles Ducal: De meesterknecht. Uitg. Atlas, 151 blz. Prijs ƒ 29,90.

Toen Charles Ducal in 1987 debuteerde met de dichtbundel Het huwelijk kreeg hij een tamelijk enthousiast onthaal. De wrange toon van zijn poëzie riep prettige herinneringen op aan het beroemde huwelijksgedicht van Elsschot. Enige wrevel oogstte hij ook, bij degenen die zijn bundel iets te persoonlijk opvatten. Rogi Wieg sprak zijn bekommernis uit met de dichter en zijn vrouw. “Je krijgt medelijden met Charles Ducal en met zijn vrouw, die werkelijk niets goed kan doen. Je windt je op over Ducals houding, zijn haat. Je maakt je zelfs boos over het feit dat hij niets in de huishouding doet, dat hij maar zit en schrijft.”

Op zijn beurt ergerde het Ducal dat sommige critici geen onderscheid hadden weten te maken tussen zijn dichterlijke en zijn werkelijke ik en ervan uitgingen dat hij zijn eigen huiselijke situatie had bedicht. “Iemand die zijn huwelijk wil ondermijnen, zal wel een andere tekst schrijven, die schrijft een uitvoerig essay”, zei hij in een interview. Hij ontkende niet dat zijn poëzie autobiografische elementen bevatte, maar die had hij een zodanige literaire bewerking laten ondergaan, dat ze op een algemener en abstracter plan waren gebracht.

Ducal behoort tot het type van de poëticale dichter dat zichzelf graag aan het werk ziet en daar verslag van doet: “Hij liep. Iemand schreef dat hij liep.” De begaanheid van een hoofdpersoon met zichzelf, als mens en dichter, blijkt ook weer uit Ducals eerste verhalenbundel, De meesterknecht. De zes verhalen die thematisch en chronologisch samenhangen, doen sterk denken aan zijn huwelijksgedichten. Ook nu is het de man die haakt naar het hogere, naar ware hartstocht en poëzie, terwijl de vrouw genoegen neemt met de realiteit, met een goede baan, een fatsoenlijk dak boven het hoofd en een oppassende echtgenoot die naar de laatste mode is gekleed. “Roos was een knappe, immer opgewekte en volwassen vrouw”, zo wordt de echtgenote getypeerd. “Ze behoorde tot de wereld van de gewone stervelingen. Ze had een tuin, een badkamer, een auto, een tv, een hifi-keten, een koelkast, een vader die gaatjes kwam boren voor haar boekenrekje en een moeder die een schoonzoon wou. Op dat boekenrekje stond allerlei, maar geen poëzie.”

Ridder

Wij volgen de dichter, die net als in Het huwelijk ”een ridder van de droevige figuur' is, op zijn levenspad van student Germaanse Filologie met maoïstische sympathieën tot gezapig huisvader, die nog wel eens verliefd is, maar zijn wilde haren is kwijtgeraakt. Hij heeft nog steeds zijn hoop gevestigd op het dichterschap, dat hem zal uittillen boven de grauwe massa. “Ik nam afscheid van de werkelijkheid, sprong in het zadel en reed de nacht in”, zo luidt het dichterlijke slot van Ducals prozadebuut. Erg bevredigend is dit hoogdravende slot niet na al het gebeuzel waarmee Ducal zijn lezers zes verhalen lang onledig hield. Opmerkelijk is hoe gretig hij zich in dit boek overgeeft aan het beschrijven van het leven van alledag, in overwegend korte en koddige zinnetjes.

Wat Charles Ducal vooral demonstreert in De meesterknecht is het grote verschil tussen proza en poëzie. De anekdote die hij grotendeels wist te verdoezelen in zijn gedichten, is in zijn verhalen volop en nogal hinderlijk aanwezig. De norse naamloze dichter die zich voor de wereld verschuilde in zijn bovenkamer wordt hier vanzelf een wat kruiperig mannetje, een meeloper zonder eigen ideeën en opvattingen. Zijn naam klinkt stoer genoeg, Simon Ackx, maar hij doet hem geen eer aan. Hij voert vruchteloos actie als student, hij zwicht voor een ongelukkig huwelijk en een vervelende baan, hij praat vrienden naar de mond en is ook als dichter een wat zielige figuur, die overal wel gratis op wil treden met een handvol scabreuze gedichten. Een groot nadeel van proza is dat algemene categorieën als ”liefde', ”vriendschap' en ”passie' niet volstaan, maar dat er personages bij horen, bijzonderheden en toedrachten. Dan blijkt, zoals in dit geval, de liefde zich te richten op een oninteressante en oerburgerlijke vrouw, de vriendschap op een rancuneuze nepdichter en de passie op een even wulpse als onnozele dame.

Op het omslag van het boek is een negentiende-eeuwse jongeman afgebeeld, die ernstig verdiept is in zijn lectuur. Van dat eenzelvige zich verzinken is in deze verhalen niets terug te vinden. Wel wordt af en toe gesuggereerd, tussen de studentikoos aandoende bedrijven door, dat onze hoofdpersoon maar één ware liefde heeft: de poëzie. Merkwaardig is dat van zijn musische aanleg of zelfs van een meer dan gemiddelde belangstelling voor taal bijzonder weinig blijkt. De meesterknecht doet nog het meest denken aan een creatieve impasse waaruit Ducal zich, oeverloos en onbevlogen proza voor lief nemend, heeft willen wegschrijven. Het wachten is dus op zijn derde dichtbundel.

Sneeuw