"Europa is verantwoordelijk voor Afrika'

NICÉPHORE SOGLO, president van de Westafrikaanse republiek Benin, bezocht deze week Nederland. “Europa mag slavenhandel en kolonialisme niet vergeten.”

DEN HAAG, 26 JUNI. In Afrika ten zuiden van de Sahara wordt sinds een jaar of twee, drie “het zwarte volk opnieuw geboren”, maar West-Europa ziet het niet, omdat het alleen naar het Oosten kijkt. Dat zegt Nicéphore Soglo, president van Benin, die deze week een driedaags staatsbezoek aan Nederland afsloot. Alleen Nederland is niet eenkennig: minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking heeft hem verzekerd te streven naar “een wereldwijde coalitie voor Afrika”.

Benin, ooit een deel van Frans West-Afrika, werd in 1960 onafhankelijk onder de naam Dahomey. De Republiek Benin, die nu ruim vier miljoen inwoners heeft, verdeeld in zestig etnische groepen, is een van de talrijke Afrikaanse landen die na het einde van de Koude Oorlog de weg van de democratie zijn ingeslagen. Het bewind van generaal Kérékou, dat sinds 1972 een beleid van “wetenschappelijk socialisme” voerde, “bestond bij de gratie van de Koude Oorlog”, aldus Soglo. “Mijn land was gevangen in het Oost-West-conflict, en Libië en Cuba misbruikten het als bruggehoofd.”

De démocratisation werd in 1990 ingeluid door de "Nationale Conventie van de Levende Krachten van de Natie'. Hierin waren naast de verschillende religieuze groepen in Benin - aanhangers van “traditionele godsdiensten”, katholieken, moslims en protestanten - ook de vakbonden vertegenwoordigd, en een vijftigtal tot dan toe verboden politieke stromingen, sensibilités genoemd. Die vergadering bereikte een akkoord over de vorming van een interim-regering en vrije verkiezingen.

De jurist Soglo, in maart 1991 gekozen tot president, gelooft dat het welslagen van deze “vreedzame overgang” vooral te danken is aan de tolerantie van het Beninse volk. “Tolerantie is het alternatief voor burgeroorlog”, aldus Soglo.

Soglo kon zijn ervaring als lid van de Raad van Bestuur van de Wereldbank van 1979 tot 1986 inbrengen bij het economische herstelprogramma, dat vorig jaar voor een - de verwachtingen overtreffende - economische groei van drie procent zorgde. Hij wist investeerders in Frankrijk, België en de Verenigde Staten te interesseren voor een aandeel in de nijverheid van zijn land, en inmiddels is tweederde van de industrie geprivatiseerd.

Net als Oost-Europa moest Benin zich losmaken uit het marxisme-leninisme, maar er zijn opmerkelijke verschillen, zegt Soglo. "Eigendom" is er nooit een vies woord geweest en met de markteconomie was men niet geheel onbekend, onder meer “omdat er nooit een IJzeren Gordijn is geweest tussen Benin en Nigeria”, het kapitalistische buurland.

Soglo wijst een volstrekt "liberalisme' af; een van zijn prioriteiten blijft overheidssteun aan de allerarmsten en aan de bevolking van het platteland. “Maar de mensen moeten opnieuw leren het initiatief te nemen,” zegt Soglo, “net als in Europa na de Tweede Wereldoorlog.” En om die parallel door te trekken: voor die opbouwfase wil hij een Afrikaanse versie van het Marshall-plan. Europa is dat verplicht, zegt hij; “Europa mag slavenhandel en kolonialisme niet vergeten en draagt een historische verantwoordelijkheid voor Afrika.”

Een bijzondere rol bij de ontwikkeling van Benin bedeelt Soglo toe aan de vrouwen. “De landbouw staat en valt met het werk en de deskundigheid van de vrouwen, en zj zijn het die de detailhandel verzorgen”, aldus de president. Hij vindt het jammer dat de vrouwen nog maar amper een rol spelen in de Beninse politiek: maar vier van de 64 parlementsleden zijn vrouw, terwijl deze groep toch een meerderheid van de bevolking vormt. “Ik heb ook vrouwen benaderd om lid te worden van mijn regering. Maar zij vonden het daarvoor nog te vroeg: zij moesten hun mannen eerst psychologisch erop voorbereiden.”

De katholieke Soglo wenst zich “meer terughoudendheid en schaamtegevoel” van Europese kant bij kritiek op het bevolkingsbeleid in de door het kolonialisme ontwrichte landen van Afrika. “Wij hebben mensen, arbeidskrachten nodig om het land tot zijn recht te laten komen. Onderbevolking sluit ontwikkeling uit.” Hij betreurt het dat nog steeds veel kinderen niet naar school gaan omdat zij op het land moeten helpen. Nederlandse ontwikkelingswerkers staan volgens hem in Benin bekend voor hun bijzondere aandacht en begrip voor dit soort sociale aspecten van onderontwikkeling.

Steun van Nederland verwacht Soglo ook op milieugebied, onder meer om de effecten van erosie langs de kust te bestrijden, die, zo zegt hij, zijn versterkt door de verandering van de stromingen in de zee nadat de haven van Lomé in het buurland Togo was uitgebreid. Zorgen maken moeten zich vooral de bewoners van Cotonou, dat “in een soort polder” ligt en waar - naast het presidentiële paleis - de meeste regeringsgebouwen gevestigd zijn. Voor de oplossing van zijn waterbouwkundig probleem hoopt Soglo op Nederlandse hulp, “want op dat gebied zijn jullie de beste.”