De subtiliteiten van het gunstig stemmen

De Limburgse wegenbouwer Baars onthulde dat hij bestuurders tonnen smeergeld gaf om aan werk te komen. Geruchten dat de aannemerij op veel grotere schaal steekpenningen betaalt circuleren nu volop, maar bewijs is moeilijk te vinden. De grens tussen omkopen en gunstig stemmen is vaag.

“Je durft verdomme niet meer eens met een relatie naar een café te gaan”, zegt een Maastrichtse aannemer. Sinds in de publiciteit kwam dat de Limburgse wegenbouwer J. Baars met steekpenningen werk kocht, zit de schrik er goed in. In het eerstvolgende overleg van Limburgse burgemeesters zal het als agendapunt aan de orde komen. “Om te bezien”, zegt een burgemeester, “of we misschien zelfs de fles wijn voortaan moeten afslaan.”

“Alsof we nog altijd als het klootjesvolk van vroeger worden beschouwd”, zegt voorzitter ir. G. J. van Herrewegen van de Nederlandse vereniging van wegenbouwers. Hij noemt de kwestie-Baars een incident, dat “niet kenmerkend is voor het werken in de branche. Omkoperij maakt je chantabel.”

De bespiegelingen over de vraag of er een wereldje is waar men door konkelfoezen in achterkamertjes opdrachten verstrekt dan wel in de wacht sleept zijn overvloedig. Bewijzen zijn er weinig. Limburg zou een bedenkelijke uitschieter zijn. Dat wordt niet gestaafd door een in 1986 onder auspiciën van de Open Universiteit in Heerlen verricht onderzoek naar het aantal veroordelingen in omkopingszaken.

De Nijmeegse hoogleraar bestuurskunde dr. N. Nelissen: “De reactie dat deze praktijken exclusief voor Limburg zijn, behoort tot het stereotiepe beeld dat men van Limburgers heeft. Alsof niet-corrupt handelen er uitzondering zou zijn. Mijn inschatting is dat corruptie in het openbaar bestuur in Limburg net als elders in het land slechts sporadisch voorkomt. Het bestuur anno 1992 is te openbaar om zich onoirbare praktijken te veroorloven.”

Minister I. Dales van binnenlandse zaken meende er niettemin goed aan te doen begin deze maand - de Limburgse affaire was toen volop in het nieuws - op een congres van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te waarschuwen voor wat ze noemde “machtsbederf, dat in the end kan leiden tot gecorrumpeerd worden, corruptie en fraude. Aantasting van de integriteit van de overheid”, aldus de minister, “betekent niet minder dan dat de overheid het vertrouwen van de burger verliest.”

“Het zijn allemaal zakkenvullers”, was de reactie onder Limburgers na het openbaar worden van de "affaires'. Het dagblad De Limburger in Maastricht beschikt over een groot aantal anonieme brieven, waarin met het beschuldigende vingertje naar nog meer "knoeiers' wordt gewezen. Kortom: de hel brak los en het vuur is nog altijd niet geblust.

“We hebben wel andere problemen om ons druk over te maken”, zegt een woordvoerder van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). “Er zijn geen speciale VNG-regels over ethisch gedrag: men heeft zich maar aan de wet te houden.” Dat onethisch gedrag typisch Limburgs is, zou hij niet willen zeggen. Een accountantsbureau onderzoekt namens de VNG het aanbestedingsbeleid van de provincie Limburg.

De gepensioneerde burgemeester van het Brabantse Uden G. Schampers, die ooit op een congres in Rotterdam een loopje nam met wat hij noemt de gewichtigdoenerij over vermeende omkoping: “Op een keer kreeg ik twaalf flessen wijn van iemand uit de bouw, die ik niet eens kende. Ik heb de flessen teruggestuurd, want ik vond het een onbehoorlijke manier van zich opdringen. Er zijn grenzen aan wat je als bestuurder behoort aan te nemen, maar het gaat me te ver als wordt gesteld dat je zelfs bij het aannemen van één fles al over de schreef gaat. Toen een projectontwikkelaar me uitnodigde voor een wijnreisje heb ik hem laten weten dat ik geen tijd had, maar hij voelde verdomd goed aan dat ik het eigenlijk niet correct vond.”

Van Herrewegen van de wegenbouwersvereniging, directeur van Koninklijke Wegenbouw Stevin: “Wij geven ook aan onze relaties geschenken, maar het gaat nooit boven de vijftig gulden. Ik zou mijn eigen graf graven als ik werk met steekpenningen zou proberen te kopen, want eens komt het toch uit.”

Pag 10: "Het gevaar voor normvervaging en grensoverschrijding is enorm groot'; Een pen of een reis naar de Bahama's

De burgemeester van een middelgrote Limburgse stad, die niet met name wil worden genoemd, ontvangt rond de Kerst naast relatiegeschenken als een pen, een zaklamp of een barometer wel zo'n dertig kisten en kistjes wijn, ook van aannemers. De wijn drinkt hij met een gerust hart op. “Aannemers vragen me wel eens om een gesprek, want ze plegen driftig acquisitie. Eerst probeer ik ze af te houden, maar na verloop van tijd laat ik ze toch even langs komen. Als er een bij is die met de geldbuidel zou rammelen, zeg ik: daar is de deur. Maar zo openlijk gaat dat niet. Als men al mensen probeert om te kopen, gaat dat zo subtiel dat het alleen toevallig in de openbaarheid komt. Ik kan niet naast elke ambtenaar een politieman zetten.”

Afgelopen week werd een hoge ambtenaar van Rijkswaterstaat door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf omdat hij tonnen aan smeergeld aannam in ruil voor het doorspelen van essentiële gegevens aan een aannemingsmaatschappij. Persofficier van Justitie Welschen in Den Haag: “Dit soort zaken komen zo weinig voor dat het je opvalt als er een op de rol staat.”

In Limburg betaalde wegenbouwer J. Baars uit Klimmen in de jaren zeventig en tachtig vele tonnen aan steekpenningen om in het bezit te komen van opdrachten. Dat bekende hij aan de Fiscale inlichtingen- en opsporingdienst FIOD. Een oud-ambtenaar van de provincie en een oud-wethouder werden op grond daarvan veroordeeld. Inmiddels heeft Baars gezegd dat hij zich uit het bedrijf zal terugtrekken omdat hij na het uitlekken van de affaire geen order meer zou binnenkrijgen. De rijksrecherche onderzoekt nu of de wegenbouwer, wiens zaak is verjaard, alsnog kan worden vervolgd en of het openbaar ministerie de zaak wel voldoende heeft uitgezocht.

Naar aanleiding van de "affaire-Baars' begon de Limburgse pers te rukken aan het deksel van de vermeende beerput. Namen van diverse Limburgse hoogmogenden gingen over het voetlicht omdat ze met de wegenbouwer innige en soms betaalde betrekkingen zouden hebben onderhouden, diens wijnkelder geregeld aanspraken en zich op jachtpartijen lieten fêteren.

“Zich laten fêteren, meegaan op zogenaamde studiereizen, waarop weinig wordt gestudeerd, komt op grote schaal voor”, aldus L.P.A. Soeterboek, die in de jaren zeventig een onderzoek deed naar omkoperij onder 79 aannemingsbedrijven. “Het gebeurde vooral bij grote opdrachten.” Maar Soeterboek heeft nadien geen vervolgonderzoek meer gedaan en noemt zijn publikatie “gedateerd.”

De geruchten over omkoperij en concrete gevallen daarvan blijven niettemin actueel. Zo zou een recreatieproject in Gulpen in de jaren tachtig niet zijn doorgegaan omdat een met Baars bevriende CDA-gedeputeerde als voorwaarde stelde dat Ome Sjaak, zoals Baars onder intimi wel wordt genoemd, de daarbij behorende infrastructuur zou mogen aanleggen. Een Maastrichtse CDA-wethouder ging op kosten van dezelfde Baars met vakantie in Egypte, maar betaalde later de reis terug. Daarvan overlegde hij een kwitantie - geen bankafschrift. In Rotterdam kreeg een ambtenaar in ruil voor de toestemming om ergens, ondanks zijn aanvankelijke bezwaren, een directiekeet te mogen bouwen als tegenprestatie een spiltrap in zijn huis. Op de tekenkamer van een groot, inmiddels niet meer bestaand aannemingbedrijf in Maastricht riep een directielid uit dat het toch godgeklaagd was als hij geen Mercedessen meer mocht weggeven om opdrachtgevers te paaien.

Een Zuidlimburgse aannemer (nadere aanduiding acht hij niet gewenst): “In mijn dertigjarige ervaring heb ik één keer een collega openlijk horen zeggen dat hij best bereid was vijftigduizend gulden aan steekpenningen te betalen als hij een werk van vijfhonderdduizend gulden in de wacht kon slepen. In de bestuursvergadering van de aannemersbond riep een bestuurslid: dat zou ik, nondeju, ook wel willen doen.”

Tussen daadwerkelijk omkopen en het gunstig stemmen van overheidsdienaren zit, zegt prof. Nelissen, een breed spectrum: uiteenlopend van de al eerder genoemde fles wijn, via “vormen van extreme hoffelijkheid en gedienstigheid en loftuitingen - want ook een bestuurder is ijdel - tot een reis naar de Bahama's”.

“Eigenlijk zou men alles”, aldus Nelissen, “dat kan worden uitgelegd als een gebaar om besluiten te beïnvloeden, van de hand moeten wijzen. Het gevaar voor normvervaging en grensoverschrijding is immers enorm groot.”

Vooral sinds de opkomst van het public private partnership, waarbij overheid, projectontwikkelaars, beleggers en aannemers op elkaars schoot zitten, is het gevaar voor wat Nelissen noemt corruptogene situaties aanwezig. “Men ontmoet elkaar in businessboxen op de voetbalvelden, bij jachtpartijen, tijdens recepties, op bedrijfbezoeken, zondagmiddagbijeenkomsten, parties, congressen en symposia. Zulke bijeenkomsten hebben tot doel netwerken te smeden en om partijen van elkaar afhankelijk te maken. Zo ontstaat er commitment, een soort neo-corporatisme. De vraag is of men daarmee niet over de schreef gaat. Ze hebben de strekking in zich corruptiebarrières te slechten. Er zijn daarom nieuwe verkeersregels nodig: een hernieuwde codificatie.”

De Zuidlimburgse aannemer: “Je zit inderdaad in nogal wat verenigingen: een sportclub, in het bestuur van een harmonie of van een voetbalclub, je bent lid van het CDA, van de Lions of de Rotary met in je achterhoofd dat je er iets aan kunt hebben. Maar is dat niet in het algemeen kenmerkend voor de zakenwereld?”

Van enig laakbaar handelen hebben bestuurders vaak niet de minste notie. Toen in 1987 een Maastrichtse CDA-wethouder vriendelijk doch dringend werd verzocht zich terug te trekken als adviseur van een wegenbouwfirma die voor de stad werken uitvoerde, reageerde hij stomverbaasd. Dat er tijdens de raadsverkiezingen in 1990 aan de bouwkranen van ten minste twee Maastrichtse aannemers spandoeken hingen die sympathie tot uiting brachten met de CDA-wethouder van openbare werken, die uiteindelijk toch werd gewipt, verbaasde praktisch niemand.

Volgens de opstellers van een vorig jaar in opdracht van Economische Zaken geschreven rapport over de praktijken van vooral de wegenbouwers, die net als in Limburg ongeoorloofde kongsies vormem om werken naar zich toe te halen, is er “nauwelijks van enige structurele handhaving van het besluit mededingingsregelingen en van sanctionering van overtredingen sprake.” De Economische Controledienst treedt alleen op bij een vermoeden van onoirbaar handelen en daar, zegt men, heeft men er de handen niet vol aan.

Openbare aanbestedingen gebeuren vaak alleen als het om grote opdrachten gaat. In de meeste gemeenten voert steeds hetzelfde gropeje aannemers de kleinere werken uit. Als redenen daarvoor worden hun deskundigheid opgegeven en het feit dat ze uit de streek komen. Verder is men bang dat zich bij openbare aanbestedingen zoveel aannemers melden, dat de heisa die daarmee gepaard gaat niet in verhouding wordt geacht tot de omvang van het werk.

Een aannemer zegt dat onderhands aanbesteden ook voor de opdrachtgever financiële voordelen heeft, omdat dan minder rekenvergoedingen betaald hoeft te worden. Daar staat tegenover dat men ook niet weet of het werk inderdaad wel voor de goedkoopste prijs wordt uitgevoerd. “Goedkoopte alleen is geen maatstaf”, aldus Van Herrewegen, “het gaat om de prijs-kwaliteitsverhouding.”

In 1987 tikte Economische Zaken de provincie Noord-Brabant, waar Van Agt toen nog commissaris der koningin was, gevoelig op de vingers omdat ze bereid bleek twee aannemers een aantal jaren werk te garanderen in ruil voor hun participatie in het Kosmoscentrum, dat overigens nooit van de grond kwam. Het vermoeden bestaat dat EZ in actie kwam nadat andere aannemers hadden gewezen op de onoirbaarheid van dit soort afspraken, want broodnijd en concurrentie in de branche zijn groot en de winst zou marginaal zijn.

Het voordeel van de publiciteit rondom de vermeende onoirbare praktijken is dat het grijze circuit wordt betreden en afgetast. De Limburgse hoogleraar bedrijfs- bestuurskunde aan de Open Universiteit dr. A.F.A. Korsten, die studies verricht naar de Limburgse politiek: “Het is aannemelijk dat men in de aannemerswereld gewend is het een en ander onderling te regelen. En van het een kan het ander komen: wat meer regelen dan het werk alleen, bij voorbeeld met ambtenaren en bestuurders. Waar het in de discussie om gaat is: wat kun je plaatsen in de sfeer van de onnozelheid en waar worden de grenzen substantieel overschreden? In Limburg is het maatschappelijk middenveld misschien wat meer verstrengeld met het openbaar bestuur dan bij voorbeeld in Friesland. Bestuurders barsten van de bijbanen. Daar dreigt dan het ritselen.”