De spin haar web, de bever zijn dam, de mens zijn ego; Daniel Dennett en de mythe van het bewustzijn

Volgens de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett hoor je een hond pas blaffen als de hersenen zich afvragen: Wat hoor ik? Er is in principe geen verschil tussen de manier waarop de menselijke hersenen informatie verwerken en de manier waarop computers dat doen, zegt hij in Consiousness Explained. Maar wie stelt dan de vragen aan de informatie-verwerkings-systemen in onze hersenen?

Daniel C. Dennett: Consciousness explained. Uitg. Little, Brown and Company. Prijs ƒ 61,95. Engelse editie: uitg. Allan Lane. Prijs ƒ 75,-.

“Wat weet ik?”, vroeg Descartes en hij sloot zijn ogen. “Ik denk dat ik dingen om mij heen zie. Ik denk dat ik een lichaam heb. Dat lijken de onaantastbare zekerheden van mijn bestaan te zijn. Toch is het niet onmogelijk dat een geniale boosdoener mij voortdurend een rad voor ogen draait.” Alle kennis kan dus in twijfel getrokken worden en ons leven is eigenlijk een onzeker tasten in een land van niet-weten. Gelukkig bleef Descartes niet steken in deze wanhopige vertwijfeling en mediteerde hij voort: “Maar zelfs als ik niets weet, weet ik nog dat ik denk.” “En”, concludeerde Descartes, “als ik denk, moet ik ook bestaan: Cogito, sum.”

Het Cartesiaanse Ego is een denkend wezen, een geest. De mens onderscheidt zich, volgens Descartes, van de dieren doordat hij niet alleen bestaat als lichaam, maar in de allereerste plaats als geest. Dit Cartesiaanse dualisme van lichaam en geest heeft eeuwenlang het denken over de mens gedomineerd. In de geneeskunde bestaat de somatische gezondheidszorg naast de geestelijke. Psychische problemen zijn van een geheel andere aard dan lichamelijke ziekten. Een depressie is geen gebroken been. Daar staat tegenover dat iedereen weet, Descartes voorop, dat de menselijke geest voortdurend beïnvloed wordt door het lichaam. Is die geest misschien ook slechts “een chemisch proces als een ander”?

In 1949 publiceerde Gilbert Ryle The Concept of Mind. De geest van Descartes is volgens Ryle een mythe. Het is een ”geest in de machine', die niets verklaart en alleen maar problemen oproept. Waar het om gaat is waarneembaar menselijk gedrag. Wie verder zoekt, zal niets vinden. “”Ik denk, dus ik besta', waar heeft Descartes het over? Zelfs God, indien hij in onze geesten zou kunnen kijken, zou daar niet kunnen zien, waarover wij spreken”, schrijft Wittgenstein.

Toch laat het Cartesiaanse dualisme zich niet zo gemakkelijk wegredeneren. Neem bij voorbeeld kleuren. In de wereld van de wetenschap bestaan kleuren niet. Objecten reflecteren verschillende golflengten licht, maar die lichtgolven zelf zijn kleurloos. Mensen zien kleuren, omdat de kegeltjes in ons netvlies geprikkeld worden en die informatie doorsturen naar de visuele hersenschors. Voor de wetenschap is het zien van kleuren op deze causale manier te verklaren. “Maar”, zo kan Descartes tegenwerpen, “waar blijven mijn kleuren dan? Mijn waarnemingen hebben nog steeds eigenschappen die de wetenschap niet verklaart: de subjectieve kwaliteiten die uitmaken hoe de dingen er voor mij persoonlijk nu op dit moment uitzien, hoe ze ruiken, voelen en smaken. Er moet dus wel zoiets zijn als een bewustzijn, een innerlijk theater dat we met ons geestesoog gadeslaan”.

Raadsel

Ofschoon tegenwoordig vrijwel iedereen ervan overtuigd is dat de geest een stoffelijk verschijnsel is, bleef het menselijk bewustzijn een raadsel. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett heeft nu een boek gepubliceerd met de uitdagende titel Consciousness Explained. Dennett is een leerling van de eerder genoemde Gilbert Ryle, die hem begeleidde bij het schrijven van zijn proefschrift. Na zijn promotie te Oxford in 1965 ging hij terug naar de Verenigde Staten. Daar ontplooide hij een buitensporige activiteit. Zijn onderzoeksgebied is de menselijke geest en Dennett is niet een type wijsgeer die daarover lui onderuitgezakt in zijn stoffige leunstoel gaat filosoferen. Hij is een groot voorstander van interdisciplinair onderzoek en is op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de neuro-wetenschappen, de psychologie en de kunstmatige intelligentie. Behalve talloze artikelen heeft Dennett vijf boeken gepubliceerd: Content and Consciousness, Elbow Room, Brainstorms en The Intentional stance. De meeste bekendheid heeft hij vergaard met The Mind's I, een verzameling artikelen over de menselijke geest die hij samen met Douglas Hofstadter heeft uitgegeven.

Zijn zesde boek, Consciousness explained, is de kroon op zijn oeuvre. Dennett heeft net als Descartes en zijn eigen leermeester Gilbert Ryle de gave om zo boeiend over filosofie te schrijven dat iedereen, van geïnteresseerde lezer tot vakfilosoof, er genoegen aan beleeft. Zijn stijl is bijna te onderhoudend. Lezers belanden bij de conclusie van een betoog nog voor zij zich af hebben kunnen vragen of zij wel alle stappen van de redenering willen volgen. Het is een boek als een draaikolk. Toch is het niet alleen de stijl die het boek zo aantrekkelijk maakt. Het is een ware ”Fundgrube' van ideeën en ideetjes en een sprekend bewijs van hoe springlevend en boeiend de analytische filosofie op dit moment is.

Theatertje

Het boek is kortom mooi en prachtig, maar is het verschijnsel bewustzijn nu ook verklaard? Volgens Dennett is het een illusie te denken dat wij een innerlijk geestesoog hebben, waarmee wij waarnemen hoe de wereld er subjectief, voor ons persoonlijk, uitziet. Een groot deel van Consciousness Explained is gewijd aan het bestrijden van deze mythe van het Cartesiaanse theater. Bewustzijn is geen toneelstuk dat opgevoerd wordt op een privé-theatertje in de hersenen aan het eindstation van onze zenuwbanen. Zo'n eindstation bestaat niet. De hersenen zijn volgens Dennett voortdurend op verschillende parallelle niveaus tegelijk in de weer met het interpreteren en verwerken van zintuiglijke indrukken. Er wordt niet slechts één toneelstuk opgevoerd, maar talloze. Van welk toneelstuk wij ons bewust zijn hangt volgens Dennett af van de vraag welke informatie op dat moment voor onze hersenen het dringendst geboden is. Wat hoor ik? Pas als mijn hersenen zich dit afvragen, word ik mij bewust van de hond die in de verte blaft. Wat zie ik nu? Eerst dan is de vogel op het balkon in mijn bewustzijn aanwezig. Wat voel ik? Het is niet zo dat de spin die over mijn arm kruipt tot mijn bewustzijn doordringt. De situatie is volgens Dennett precies omgekeerd. Mijn bewustzijn richt zich opeens op de informatie die zich via de zintuigen aandient en neemt dan als het ware de spin in zich op.

Computerprogramma's

Dennett ondersteunt deze opvatting met diverse gedachtenexperimenten en beschrijvingen van psychologisch onderzoek. Bovendien kan hij wijzen op het bestaan van computerprogramma's die precies zo'n zelfde vraag- en antwoordspel bij zichzelf kunnen uitvoeren. De mens onderscheidt zich slechts van de computer, doordat hij meer vragen stelt en moeilijke antwoorden geeft. Maar, zo benadrukt Dennett, in beginsel is er geen verschil tussen de manier waarop de menselijke hersenen informatie verwerken en de manier waarop computers dat doen.

Dit is het meest betwiste standpunt in zijn boek. Is er werkelijk geen verschil tussen het proeven van een glas wijn door een computer en het proeven van een glas wijn door een mens? Het antwoord van Dennett is simpelweg: “In beginsel niet!” Maar waarom kijken we dan niet gewoon op het etiket van de fles om te kijken wat de chemische samenstelling van de wijn is? Het daadwerkelijke proeven van wijn door een mens is toch iets anders? Wijn heeft toch ook een bepaalde subjectieve kwaliteit, namelijk hoe die ons smaakt op het moment dat we proeven? Voor de wetenschap is proeven misschien op deze manier verklaard. “Maar”, zo kunnen we opnieuw met Descartes tegenwerpen, “waar blijven mijn eigen smaken dan? Mijn waarnemingen hebben nog steeds eigenschappen die de wetenschap niet verklaart: de subjectieve kwaliteiten die uitmaken hoe de wijn voor mij persoonlijk op dit moment smaakt. En als dat zo is, moet er dus toch zoiets zijn als een bewustzijn.”

Dennett is door deze tegenwerping niet uit het veld geslagen. Nu toont hij zich een trouwe pupil van zijn leermeester Gilbert Ryle. Op een dag kreeg Ryle te Oxford bezoek van een hooggeleerde collega. Ryle maakte plichtsgetrouw met hem een wandeling langs de colleges van Oxford. Na afloop van de rondleiding vroeg de gast aan Ryle: “Prachtig al die colleges, maar waar is de universiteit van Oxford nu?” Het was hem ontgaan dat de universiteit samengesteld is uit die colleges. De universiteit leidt geen van die colleges onafhankelijk bestaan. De universiteit is die colleges. De gast maakte een zogenaamde categorie-fout. Net zo maken wij, volgens Ryle, een categorie-fout als we denken dat er achter objectief waarneembaar menselijk gedrag nog een mysterieuze geest schuilgaat.

En net zo hebben onze waarnemingen, volgens Dennett, helemaal geen mysterieuze, subjectieve kwaliteiten. Het enige dat bestaat is onze fysische gesteldheid en onze ervaring in het proeven van de wijn, mits dat neuro-fysiologisch is vastgelegd. Om aan te tonen dat het aannemen van dergelijke subjectieve kwaliteiten onnodig is heeft Dennett elders al eens de treurige geschiedenis van de twee koffieproevers verteld.

Na jaren trouwe dienst schuift mijnheer Sanborn tijdens de lunchpauze in de kantine van de koffiebranderij met een somber gezicht aan bij zijn collega Chase. “”Kan ik je in vertrouwen wat zeggen, Chase? Die koffie hè, die smaakt me niet meer. Vroeger vond ik die heerlijk, maar nu... ik vind het niet meer te drinken. Weet je hoe dat komt? De koffie daar is niets mis mee, die heeft nog een prima smaak. Maar mijn eigen smaak is veranderd.' Chase knikt begrijpend. ”Gek dat je dat nu zegt, Sanborn. Want eerlijk gezegd, die koffie komt mij vandaag ook de neus uit. Maar weet je wat het met mij is? Mijn smaak is nog dezelfde. Bij mij zijn juist de smaakpapillen veranderd. Ik proef anders.' ”

Wie heeft er gelijk? Zowel Chase als Sanborn zouden zelf het beste moeten weten wat die geheimzinnige, subjectieve kwaliteit van koffie is. Zij zijn immers de enigen die kunnen weten hoe de koffie hun nu smaakt. Maar noch Chase noch Sanborn kunnen ons iets over die subjectieve kwaliteit vertellen. In een wetenschappelijke verklaring van het verschijnsel proeven zijn zulke kwaliteiten bovendien volslagen overbodig, dus waarom zouden we moeten aannemen dat dergelijke subjectieve kwaliteiten bestaan?

Vragen

Zijn de hersenen van de mens dan toch een soort computer? Moeten we met Dennett concluderen dat er over het menselijk bewustzijn geen feiten vaststaan onafhankelijk van de vragen die we als een soort computer aan de informatie-verwerkings-systemen van onze hersenen stellen? Zo snel moet de lezer zich echter niet door Dennett laten overtuigen. Want wie stelt die vragen eigenlijk aan de informatie-verwerkings-systemen in onze hersenen? Is dat niet opnieuw het Cartesiaanse Ego, maar dan getooid in het jasje van de twintigste-eeuwse cognitie-wetenschap?

Als hij zichzelf deze vraag stelt wordt Dennett erg voorzichtig. Hij stelt een empirische hypothese voor: het menselijk bewustzijn is wellicht het resultaat van een denkbeeldige, seriële machine die in onze hersenstructuur verweven zit en die de belangrijke vragen stelt aan de parallel werkende primitievere informatie-verwerkings-systemen. Het is deze machine die, geholpen door de taal, de illusie wekt dat er een Cartesiaans Ego, een Ik-zelf, in onze hersenen huist.

Dit Cartesiaanse Ego is volgens Dennett het gevolg van onze drang tot zelfbehoud en gevormd door de evolutie. Wat bij een spin het spinnen van haar web is, bij de bever het opwerpen van een dam in de rivier, is bij de mens het vertellen van verhalen over zijn eigen innerlijk. Het Cartesiaanse Ego is niet de bron, maar het produkt van die verhalen.

Is bewustzijn verklaard? Wie het drinken van een glaasje wijn liever niet aan de computer over laat, ontkomt aan het slot van deze tour de force toch niet aan de indruk dat het bewustzijn eerder weggeredeneerd dan verklaard is. Dennett heeft ongetwijfeld het gelijk aan zijn zijde als hij het Cartesiaanse theater verwerpt. Ook zijn alternatieve model van de geest, waarin het bewustzijn uit talloze theaterstukken kan kiezen, is aannemelijk. Maar de kern van het boek: dat het menselijk bewustzijn niet langer een mysterie is, is moeilijk te aanvaarden voor iemand die oren heeft om mee te horen, ogen om mee te kijken, een neus om mee te ruiken en een mond om mee te proeven.