De mens hangt niet samen; De problemen van de biograaf

Jan Fontijn: De Nederlandse schrijversbiografie. Uitg. Hes. 127 blz. Prijs ƒ 22,50

Wordt er in Nederland zo langzamerhand niet te lichtvaardig gedacht over het schrijven van biografieën? Een aantal jaren geleden behoorde het nog tot de goede toon om te klagen over het ontbreken van een biografische traditie in Nederland, tegenwoordig lijkt het wel of iedereen met een biografie bezig is. Toen in 1984 de Vereniging voor OKW het initiatief nam tot de uitgave van een reeks biografieën (later in gewijzigde vorm overgenomen door het Prins Bernhard Fonds) kon het er nog de schijn van hebben dat iets nieuws werd geprobeerd. Inmiddels buitelen de initiatieven over elkaar heen, wijden tijdschriften themanummers aan de biografie en bestaat er een heuse werkgroep die een eigen Biografie bulletin uitgeeft. Met de regelmaat van de klok verschijnen er nu ook omvangrijke biografieën: over Gezelle, Van Eeden, Annie Romein-Verschoor, Van Randwijk, Scheltema. Nog meer zijn er in voorbereiding.

Beseffen al die enthousiaste biografen echter wel hoe hoog zij grijpen? De biografie is misschien wel het moeilijkste genre in de geschiedschrijving. Een goede levensbeschrijving schept samenhang in een ogenschijnlijk soms verward en versplinterd leven, maar er is geen enkele methode om die beoogde samenhang tot stand te brengen. Er zijn wel enkele punten waar men op bedacht moet zijn, maar voor het overige moet de auteur het zelf maar zien. Alle pogingen om een hechter theoretisch fundament voor de biografie te leggen, bij voorbeeld met behulp van de psychologie of de psycho-analyse, zijn op een mislukking uitgelopen. Alles hangt daarom af van de overtuigingskracht, het literaire talent en de persoonlijkheid van de biograaf.

Niet iedereen houdt ook voldoende rekening met de leeftijd van de biograaf. Een biograaf moet zowel de jeugd als de jaren van ouderdom en verval met enig inlevingsvermogen behandelen. Wie zelf nog jong is, zal meestal voor de latere levensfase weinig begrip hebben, terwijl iemand die zelf al op jaren is zich misschien moeilijk kan indenken hoe het was om jong te zijn. Zeker een jonge promovendus moet daarom afgehouden worden van het schrijven van een biografie: hoe kan iemand die zichzelf nog niet kent proberen iemand anders te doorgronden? De ideale leeftijd voor het schrijven van een biografie, heeft de historicus Kossmann eens gezegd, ligt rond de veertig: men is nog jong genoeg om te weten wat het is om grote plannen te maken, maar men begint ook al te beseffen wat het betekent om oud te worden.

Over dit soort problemen gaat het boekje dat Jan Fontijn aan de schrijversbiografie wijdde. In kort bestek (net iets meer dan 100 pagina's) wordt daarin heel wat aangestipt: de geschiedenis van het genre, de verhouding tussen theorie en praktijk in de biografie, het probleem van het verklaren, de waarde van het literaire werk als bron voor de biografie van een schrijver en ten slotte de keuze van de vorm van de biografie.

Oppervlakkig

Over de kwaliteiten van het boekje kunnen we kort zijn: het maakt de indruk nogal haastig in elkaar gezet te zijn. Niet alleen de vele zetfouten wijzen daar op, ook het feit dat Fontijn eerdere publikaties van zijn hand soms letterlijk overschrijft duidt er niet op dat hij zich de tijd gegund heeft het onderwerp nog eens rustig te overwegen. Sommige zinnen zijn rechtstreeks overgenomen uit de inleiding en verantwoording van zijn biografie van Van Eeden en waren daarvoor al gepubliceerd in een artikel voor de bundel Aspecten van de literaire biografie (en dat artikel was weer een herdruk van een artikel in De Gids). Maar afgezien daarvan: de moeilijke materie wordt soms zo oppervlakkig behandeld dat beginnende biografen (en voor wie is dit handleidinkje anders bedoeld?) er niet veel wijzer van zullen worden.

Merkwaardigerwijs diskwalificeert Fontijn zich zelf ook als schrijver van een boekje over de biografie. Hij is wel de schrijver van een alom geprezen biografie van Van Eeden, maar dat was nog maar deel I; of er ooit een tweede deel zal verschijnen, moeten we nog maar afwachten. Er is alle reden om aan te nemen dat het nooit zover zal komen. In zijn boekje bekent Fontijn namelijk dat hij de vele biografieën waarin hij begint nooit uitleest. Zodra de eerste tekenen van geestelijk of lichamelijk verval zich aankondigen, legt hij het boek weg, wat hij verklaart uit zijn eigen angst voor de dood. Bij de biograaf van Van Eeden, die nog heel wat jaren verval en seniliteit voor de boeg heeft, belooft dat weinig goeds. (Ik hoop natuurlijk dat dit een self-defeating prophecy zal blijken te zijn.)

Een punt dat in de biografie van Van Eeden al uitvoerig ter sprake kwam, duikt ook hier weer regelmatig op: hoever kan of moet de biograaf gaan in het aanbrengen van orde en samenhang in het levensverhaal waaraan hij werkt? Een documentatie zonder een dergelijke visie kan evident geen biografie heten, maar waar haalt de biograaf die samenhang brengende visie dan vandaan, hoe komt hij aan zijn centrale thema? Terecht plaatst Fontijn een vraagteken bij de gedachte dat de beschreven personen die eenheid vanzelf aanreiken: “Tot op de dag van vandaag, alle postmodernisme ten spijt, blijft het voor de biograaf moeilijk zich los te maken van de hardnekkige mythe in zijn genre: die van de coherente persoonlijkheid.” De meeste biografen gaan volgens Fontijn uit van een theorie van de persoonlijkheid die in de moderne psychologie al lang verlaten is, de mens als een psychische eenheid met één centrum. Voor het postmoderne alternatief, dat vele verhalen tegelijk vertelt en geen poging doet raadsels te ontsluieren of het bijzondere te verklaren, voelt hij weinig; hij besteedt er in ieder geval nauwelijks aandacht aan. Meer begrip moet gaan naar de "lifemyth' van de beschrevene, naar de verborgen dromen en verlangens die zijn leven bepalen.

Daarin staat hij in het wereldje van biografen niet alleen, er zijn wel meer auteurs die hun onvermogen maskeren met een rookgordijn van psycho-analyse. Ik heb de populariteit van zulke ideeën nooit goed kunnen begrijpen. Zelfs als bewezen zou kunnen worden dat de psycho-analyse in één of andere vorm een betrouwbare wetenschap is, dan nog zie ik niet in welke zinvolle informatie dat gesnuffel in andermans psyche zou kunnen opleveren. In een goede biografie is de persoonlijkheidsstructuur van de beschrevene namelijk iets van secundair belang; voorop staat toch nog altijd de historische betekenis van het werk van de beschrevene, of dat nu van literaire, wetenschappelijke of politieke aard is; dát vormt de reden voor het lezen en schrijven van een biografie, daaraan althans ontleent de biografie haar bestaansrecht. En ik zie niet in waarom de psychische eigenaardigheden bepalend zouden zijn voor de historische betekenis van een figuur.

Het is die historische betekenis die de thematische eenheid aan een biografie zou moeten verschaffen. Die eenheid wordt dus niet gevonden in het leven van de beschrevene zelf (aan de oppervlakte of in het verborgene, dat maakt eigenlijk niets uit), maar wordt bepaald door de historicus-biograaf. Het verleden zelf heeft geen voor ons kenbare orde en samenhang, we kunnen deze niet ergens aantreffen en beschrijven, het is de biograaf die op eigen gezag en voor eigen rekening de historische betekenis vaststelt en deze gebruikt als kader voor de biografie. Een biografie is dus geen verkorte, tot de essentie teruggebrachte samenvatting van een levensloop, geen afbeelding of beschrijving van een deel van het verleden, maar een literaire vorm waarmee de historicus-biograaf het verleden zin en betekenis geeft. Pas binnen de vorm van de biografie krijgen brokstukken van het verleden betekenis die ze los daarvan niet zouden hebben. Soms valt de visie van de biograaf samen met de wijze waarop de beschrevene zichzelf al zag en dan kan het lijken of de biograaf slechts reproduceert wat hem door het verleden wordt voorgehouden, maar strikt genomen is dit niet zo. Het is de biograaf die beslist.

Dat legt een grote verantwoordelijkheid op de schouders van potentiële biografen en niet iedere biograaf zal daar tegen opgewassen zijn. Men beschrijft niet alleen een leven, men doet ook een ingreep in dat leven. De biografie is niet zomaar het relaas van een leven, het is er in zekere zin de afsluiting van, het laatste hoofdstuk. Door het leven te beschouwen in het licht van zijn historische betekenis, versmelt de biografie met het leven waarvan het oppervlakkig gezien slechts het verslag pretendeert te zijn. Een leven eindigt niet bij de dood; het leven is pas voltooid als het in een biografie beschreven is.