De boze derde

In de grote sociëteitszaal van Arti et Amicitiae heeft jaren een groot schilderij van Kees Maks gehangen, een zomerse tuin, het lover dat zijn schaduw werpt zoals lover dat hoort te doen, en dan een links op een rieten stoel een man met een joyeuze strohoed, in het midden, ook op een stoel een elegante dame, en rechts tenslotte nog een dame, in een nog mooiere jurk (tussen rood en rose).

Ze zit met één bil op het tafelblad, haar voeten reiken niet tot de grond. De heer is aan het woord. Te oordelen naar de houding die de dames hebben aangenomen vertelt hij een verhaal dat interessant is op de grens van je kunt me nog meer vertellen.

Het is een schilderij dat beantwoordt aan de laatste eis die je aan een schilderij kunt stellen. Je kunt er niet genoeg van krijgen; hoe langer je ernaar kijkt, hoe groter je instemming met de voorstelling, en tegelijkertijd: hoe meer je erbij gaat denken en daardoor, hoe groter je nieuwsgierigheid.

Om te beginnen dit: Maks (1876-1967) was geen "anekdotische' schilder. Zijn werk heeft geen literaire geladenheid, geen engagement, niets van een boodschap. Hij was, zoals de onbetwijfelbaar betrouwbare bron die ik in dergelijke gevallen raadpleeg, het uitdrukte: gewoon een domme kunstenaar. (Daar zit niets depreciërends in, hij deed eenvoudig datgene waarvoor een schilder op de wereld is - schilderen - en dat deed hij prachtig).

Maar toch: men hoeft, wat men ook is, niet na te denken om er voorkeuren op na te houden, (of misschien moet men daarvoor het denken juist helemaal uit het hoofd zetten). Het onderwerp van het schilderij dat in Arti heeft gehangen heeft Maks op z'n minst nog twaalf keer gebruikt. Het zijn grote schilderijen, twee bij drie meter die hij "Tuinen' noemde. Telkens weer twee dames en een heer. Om niet aan het beschrijven te blijven noem ik er nog één: het drietal staat, alweer in een beloverde tuin. De heer heeft zijn hand betogend naar de dames uitgestrekt, de ene steekt een sigaretje op, de andere heeft de linkerhand weerbaar op de heup geplant.

Zo is het op alle Tuinstukken die ik heb gezien. Telkens de herhaling van het raadsel waarop ik in Arti al niet uitgekeken raakte. In welke verhouding staan die drie personages tot elkaar? Is de heer de blits aan het maken tegen twee dames die hij oppervlakkig kent en in het Vondelpark of het Jardin de Luxembourg is tegengekomen? Wat denken die twee onderling van elkaar en wordt dit weer bepaald door wat ze wederzijds vermoeden wat ze van deze heer denken? Heeft de heer misschien al een bijzondere verhouding tot een van de twee, en zo ja tot wie? Is er misschien een grote afwezige die binnenkort uit de struiken tevoorschijn zal springen? Die is dan in ieder geval nooit door Maks vastgelegd.

De schilder was dikwijls in Parijs. "Sinds 1908 maakte hij de Tuinen en galante gezelschappen, sinds 1910 of 1911 de cocottes van de nachtcafés, de zangeressen en dansers van het café-chantant', ontleen ik aan het boek van Redeker en Venema, het enige dat over hem is verschenen*. Hij wordt beschreven als een 'grand-seigneur', hij was een vriend van Kees van Dongen. Als hij in Parijs was, ging hij altijd even op bezoek, en dan vroeg Van Dongen: "Heb je je smoking bij je want toevallig is er vanavond groot feest op mijn atelier.' Maks had zich er toevallig op voorbereid. Als hij in Parijs was blijven wonen was hij misschien bijna even beroemd geworden als zijn vriend. Wreed lot. Er is een tijd geweest waarin zijn tuinstukken een paar honderd gulden opbrachten. Nu zijn ze niet meer te betalen. Gelukkig heeft hij het begin van deze erkenning nog meegemaakt.

Jammer genoeg is (voorzover we weten) Maks nooit gevraagd wat hem ertoe heeft gebracht al die driepersoons tuinstukken te schilderen. Heeft het raadsel van de fâcheux troisième, of de fâcheuse, hem beziggehouden? Is telkens in dit gezelschap zoals in Molières toneelstuk Les fâcheux de boze derde verstopt, de intrigant of intrigante die het niet kan verdragen dat iets goed gaat?

De tuinstukken beslaan een periode. In de Eerste Wereldoorlog was Maks in Amsterdam. Parijs was onbereikbaar. De schilder liet zich meer en meer inspireren door wat hij in het circus zag. Dat heeft ook mooi werk opgeleverd. Met het schilderen van dat intrigerend circus in de zonnige tuin was het toen afgelopen. Twaalf raadsels (met de voorschetsen) die bij gebrek aan nadere bijzonderheden iedereen uitnodigen tot het spinnen van een eigen verhaaltje.

* H. Redeker en A. Venema, C.J. Maks (1976)